NIEUWS     VERKEER      CULTUUR      WEER     SPORT     CONTACT         

dinsdag 17 november 2009

ONZICHTBAAR - PAUL AUSTER - ROMAN

Onzichtbaar (Invisible) toont een Paul Auster in bloedvorm. Op de eerste bladzijden maken we kennis met ik-figuur Adam Walker, een jonge literatuurstudent en aankomend dichter. Het is voorjaar 1967 en Walker maakt op een feestje in Manhattan kennis met een tweetal dertigers: hoogleraar Rudolf Born en zijn geliefde Margot.
Beiden betonen zich zeer in hem geïnteresseerd en het komt tot een vervolgafspraak. Born – een exuberante persoonlijkheid met dikwijls provocerende opvattingen – blijkt bereid Walker financieel te steunen bij het opzetten van een literair tijdschrift, terwijl Margot vooral gefascineerd lijkt door Walkers fysieke schoonheid.

Al vroeg in de roman heeft Walker het gevoel dat de twee iets onwerkelijks hebben, ‘alsof het denkbeeldige personages waren in een verhaal dat zich afspeelde in mijn hoofd’. Bij de Auster-lezer gaat dan al snel een rood lampje branden, maar vooralsnog lijkt er niets aan de hand. Born krijgt de kans zich verder te profileren als radicale intellectueel met zeer veel contacten, ook in overheidskringen, en tussen Walker en Margot komt het tot verwikkelingen die zich allerminst alleen in het hoofd van de eerste afspelen.

Dan vindt er een cruciale gebeurtenis plaats: tijdens een wandeling worden Walker en Born, net buiten Riverside Park in Manhattan, overvallen door een jongen die hen onder bedreiging van een pistool wil beroven. Born grijpt naar zijn binnenzak, alsof hij zijn portemonnee wil pakken, haalt een stiletto tevoorschijn en steekt de overvaller neer. Walker is geschokt en rent na een korte ruzie met Born weg om een ambulance te bellen. Als die aankomt is het lichaam van de overvaller echter verdwenen. Pas later, in het park, wordt het aangetroffen, met meer dan twaalf steekwonden in borst en buik.

Op dat moment wordt het verhaal onderbroken en maken we kennis met Jim Freeman, succesvol schrijver. Het verhaal dat we zojuist hebben gelezen blijkt een manuscript te zijn, geschreven door Adam Walker, een oude kennis van Freeman. De twee zijn elkaar na hun studie uit het oog verloren. We leven inmiddels in 2007, Walker lijdt aan een terminale ziekte, en probeert op zijn sterfbed zijn autobiografische roman 1967 te voltooien. Hij is onzeker over zijn project, vraagt Freeman om advies, en stuurt hem vervolgens een tweede hoofdstuk. (Hans Bouman - de Volkskrant)

Je valt bij Auster vaak van de ene verbazing in de andere; alles kan ineens heel anders blijken te zijn, en dat zonder dat het onwaarschijnlijk wordt. En daar zit ook iets pesterigs in. Auster weet je soms tot tranen toe te ontroeren - wat in Onzichtbaar op diverse momenten het geval is - terwijl in je achterhoofd voortdurend een stemmetje blijft klinken dat fluistert dat wat je nu leest, misschien helemaal niet waar is, of dat het, als iemand anders dit zou vertellen, heel anders in elkaar zit, of, nog weer anders, dat wat je leest, inderdaad 'slechts' een verhaal is, fictie, misschien niet iets om je wérkelijk druk over te maken. (Arie Storm - Het Parool)


'Want het treurige feit blijft: er is veel meer poëzie dan rechtvaardigheid op de wereld,' staat er ergens. Kan best zijn, maar als die poëzie van Paul Auster komt, en een soeplepel troost biedt, dan hoeft die vaststelling toch niet zó erg gedramatiseerd? (jm - HUMO)

It is a book of youthful rage, unbridled sexual hunger, and a relentless quest for justice. With uncompromising insight, Auster takes us into the shadowy borderland between truth and memory, between authorship and identity, to produce a work of unforgettable power that confirms his reputation as “one of America’s most spectacularly inventive writers.”






maandag 16 november 2009

NEEM MIJ TOT JE - HANNY MICHAELIS



Neem mij tot je
als brood. Drink mij,
adem mij in.

De binnenkant van je huid
zal ik kussen, je gebeente
verwarmen. Je hart
dat als een getergde vogel
tegen de kooi van je ribben slaat,
zal ik liefkozen zachter dan
het licht de toppen der bomen.

Om alles wat mij
niet langer lief kan zijn.
smeek ik je: lijf mij in.
Buiten jou kan ik niet leven.



vrijdag 13 november 2009

WAAROM IK GEEN CHRISTEN BEN - BERTRAND RUSSELL

Af en toe worden klassiekers opnieuw vertaald, opgepoetst, en in een nieuwe jas gestoken. Naar aanleiding van zo’n heruitgave, gaat Klara Classics op zoek naar een cultureel spilfiguur met een zwak voor de klassieker in kwestie.

Wetenschapsfilosoof Jean Paul Van Bendegem opent de reeks met een bevlogen betoog voor het essay 'Waarom ik geen christen ben'. De tekst is een neerslag van een lezing uit 1924 door de charismatische Britse filosoof Bertrand Russell (1872 – 1970).

In het essay zet Russell op sprankelende wijze uiteen waarom hij het Christendom maar niets vindt. Religieuze en ethische gevoelens worden tot op het bot geanalyseerd. Met de nodige humor, maar nooit grof of kwetsend. Een klassiek essay dat nog niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet. (Klara)

['Waarom ik geen christen ben' Bertrand Russell, Meulenhoff 2009]


donderdag 12 november 2009

MOPPEN TAPPEN - JEAN-PAUL MULDERS


Zo'n zondag is het waarop alles pais en vree is, om dat zo maar eens te zeggen, zo'n dag waarop de zon als goudstof door de berken valt waardoor het lijkt alsof de wereld bestuurd wordt door een rechtvaardige hand en alle onheil maar tijdelijk oponthoud is. We hebben op het rode bed een middagslaapje bedreven, het bed met de papavers, en ik heb paté du chef Marcel bereid, een recept dat ik in de vorige eeuw nog van de vader van Jotie T'Hooft heb gekregen, en dat ik af en toe nog eens bereid om Marcel te gedenken, Marcel met de witte haren en de witte baard die aan de telefoon altijd zo waardig zijn naam uitsprak. Je vindt dat niet vaak meer, mensen die hun naam uitspreken met een zekere trots, vaker raffelen ze dat af alsof ze zich schamen en zo verwonderlijk is dat eigenlijk niet. Verwonderlijker is dat we iPods en ruimtesondes hebben, maar nog altijd Decaesstecker en Turtelboom heten. "Zoals het dier ?" vroeg ik, toen een meisje zich onlangs aan mij voorstelde als Gloria Buffel. Zij knikte en bloosde een beetje.

250 gram kalfsgehakt, 1 soeplepel bosbessen, 1 geut portwijn - in de gedoofde oven langzaam laten afkoelen. Het voelt raar dit te lezen in het handschrift van iemand die heden reeds zelf is gedoofd en je vanuit het graf instructies geeft om je buikje lekker rond te smullen. Smakelijk ! staat er tot besluit met een sierlijke krul, en ik betreur het dat ik Marcel geen geut lekkere portwijn meer kan inschenken. Zelf goot hij die in geheimzinnige groene flessen uit de napoleontische tijd, die hij ergens op de kop had kunnen tikken. Maar swat, dat alles is lang voorbij, een van die treinen waarvan je de achterlichten in de verte ziet verdwijnen, in nacht en nevel en de geur van oude regenjassen. De wereld hangt van afscheid samen maar intussen proberen we er het beste van te maken en onze tijd nuttig te besteden, door bijvoorbeeld naar het museum van dr. Guislain te rijden waar een tentoonstelling loopt over het geheugen, wat een mooie bestemming lijkt voor een wat overbelichte zondagmiddag als deze. De plek blijkt echter nogal confronterend, met doeken vol bloed en afgehakte handen die aan de takken van de bomen hangen en hersens op sterk water en zelfs het steekkaartensysteem van een alzheimerpatiënt, die op duizenden kaartjes alles nauwgezet noteerde, tot zelfs zijn lievelingseten, dat hij op den duur óók dreigde te vergeten.

Er zijn oude rolstoelen en brancards en nagebouwde lazaretten en grote foto's van patiënten die in een insulinecoma worden gebracht. Het meest adembenemend vind ik de foto's van de Wagners, een Duits koppel dat zichzelf elk jaar op kerstavond gefotografeerd heeft, van 1900 tot 1945. Je ziet het jonge stel, in het begin nog kinderen haast, jaar na jaar vergrijzen en rimpels krijgen met een wreedheid die je normaal bespaard blijft omdat je dagelijks in de spiegel kijkt en dus langzaam wordt voorbereid.

Dit is niet wat wij verwachtten als milde verstrooiing. Het besef dat heel ons universum, van de geur van doperwtjes tot onze diepste emoties, chemisch en elektrisch en dus kwetsbaar is, wordt er nogal ingewreven. Het leed loert grijzend om elke hoek en ik wou dat ik zo iemand was die moppen tapt, en die zich overal met een kwinkslag vanaf kan maken. Bij gebreke aan deze handige eigenschap, om de benauwdheid af te schudden, maken wij een boswandeling in de herfst. In de huizen zien wij haardvuren branden en een reiger vangt een vis. Er zijn dingen die wij onuitgesproken laten, om tot slot in het witte dorpje een pannenkoek te eten met boter en suiker. De troostende waarde van pannenkoek kan nauwelijks worden overschat - zeker als in het etablissement van die deftige oude dametjes zitten met dure jassen en wenkbrauwen die geëpileerd zijn in de jaren zestig, toen zij jonge meisjes waren. Op tafel staan kelken Chimay en Orval en Westmalle.

Thuisgekomen stel ik vast dat maar liefst drie orchideeën in de vensterbank op het punt staan weer te bloeien.

Reacties : jp.mulders@skynet.be


woensdag 11 november 2009

ECHTE HELDEN



Bart Verbeeck (22) uit Mechelen heeft hooguit nog enkele maanden te leven. Over zijn ongeneeslijke vorm van botkanker is hij samen met zijn broer Joris een blog gestart op de sociale netwerksite Facebook.

"Als ik er niet meer ben, hoop ik dat anderen moed putten uit mijn initiatief", zegt hij. "Ik wil andere mensen ook aanmoedigen om elke dag van het leven te genieten." (gva 06/11/2009)

Dit bericht is blijven hangen en spookt de laatste dagen door mijn gedachten. Wat doet de mededeling: 'U bent terminaal en hebt nog een paar maanden te leven!" met een prille twintiger? In een interview stelt Bart dat je eerst het verdict moet aanvaarden voor je verder kan met je leven. Is dit de ironie van het noodlot? Je bent op weg naar Isfahan waar de man met de zeis op je wacht. Een reis van een paar maanden waar je nog het beste moet van maken. Ik denk te begrijpen wat hij bedoelt, je moet de diagnose aanvaarden anders is de resterende tijd een nog grotere hel.

Al de sympathiebetuigingen op facebook (de groep telt meer dan dertienduizend leden) zijn ontroerend en hartverwarmend. Ik hoop van harte dat Bart en zijn broer daar iets aan hebben.

Gisteren de reportage gezien in KOPPEN XL (Echte helden): 14 juli 2008, de Britse soldaat Andy is op patrouille in Afghanistan. Om twintig over zeven slaat het noodlot toe. Soldaat Andy stapt op een door de Taliban zelfgemaakte landmijn. Als bij wonder overleeft hij de aanslag. Maar z’n beide benen is hij kwijt. En ook para Tom (foto) trapt op een vuile bom. Hij verliest niet alleen z’n benen, maar ook z’n rechterarm.

In een bijzonder aangrijpende reportage zien we Andy en Tom, van het moment van de laffe aanslag tot hun maandenlange strijd om te blijven leven. Andy en Tom staan voor een aartsmoeilijke revalidatie. Ze zijn verminkt voor het leven, maar opgeven is geen optie.

Het is een verhaal van moed, wilskracht en liefde. Ik heb mijn tranen de vrije loop gelaten.

Ik besef iedere dag dat ik een gelukzak ben, zelfs zonder die reportages.


KIM & VANMOL

maandag 9 november 2009

ANTWERPS MEISJE - REMCO CAMPERT


Het was laat in de avond
regen in lamplicht gevangen
sloeg neer op het macadam
van de Mechelsesteenweg
je had een offwhite jurkje aan
ik schatte je op vijftien
je liep langs de straat
waar ook ik overging
auto's passeerden remden af
reden weer verder
je vroeg de weg naar de Muze
café waar Ferre optrad
Ferre Grignard de anger van jouw lied
zijn stem die op de radio geklonken had
en waarheen je nu op weg was
'volg de tramrails maar
dan vind je hem vanzelf'
en ik onnnozelaar liet je gaan

Antwerps meisje
dat ik in mijn hart draag
wat heb ik toch gedaan
met mijn leven


Uit: 'Nieuwe herinneringen', 2007.

donderdag 5 november 2009

MANNEN VAN WHISKY & MANNEN VAN COLA


Zo zitten we hier in het jaar onzes Heren tweeduizendnegen, het jaar bestaat nog maar Onze Heer is verdwenen, dat heb ik gisteravond ten overvloede vastgesteld toen ik een kerk binnenstapte waar drie mensen en een paardenkop zaten, en de priester las dapper voort uit de evangeliën ondanks het feit dat een uitzending van Blokken 200.000 keer meer kijkers trekt dan zijn gebeden, maar dat was zijn probleem en niet het mijne en ik verliet het kerkje als een spook, als een schim die langs de gevels gleed, ik glijd steeds liever voort in schimmigheid, een deel van mij behoort reeds tot het schimmenrijk te weten alle dagen die ik achter mij heb gelaten en die nooit meer terug zullen keren want tempus fugit irreparabile, dat weet ieder mens die nog een beetje serieus Latijn heeft gestudeerd, het zijn er steeds minder maar ik ben een van de overlevenden, tien woordjes per dag, negen uur per week op de leeftijd van twaalf jaren, ik heb ook geleerd hoe de tangens te berekenen en waarom Christus zo gespierd aan het kruis hangt op de schilderijen van Rubens en verder ook nog Kurt, es gibt Käse und Wurst maar een knoop aan je jas leren naaien, ho nee, dat niet, en ook niet hoe je chili con carne moet maken maar goed, dat kan ik nu toch, tot spijt van wie het benijdt, en terwijl de chili op het vuur staat te pruttelen, lees ik in Black Venus van Jef Geeraerts, dat boek epateert mij omdat het na die bijna vijftig jaren fris en krachtig is gebleven, ik ben een bewonderaar van de schrijver Jef Geeraerts omdat die zelf ook een sterk personage is en boeken met ballen heeft geschreven, alle met de hand, omdat Geeraerts iets van een roofdier heeft maar dan op de juiste manier, het goede roofdier zeg maar, er zijn roofdieren waarnaar je kunt opkijken en roofdieren waarop je moet spuwen en de schrijver Jef Geeraerts reken ik tot de eerste soort, al moet ik toegeven dat mijn sympathie voor hem gevoed wordt doordat hij gezegd heeft van mijn weemoed te houden, ik voelde mij verheugd omdat de grote Jef Geeraerts dat zei, zomaar uit zichzelf, terwijl er zoveel mensen zijn aan wie je weemoed moet verkopen als een voyageur in stofzuigers, door je voet tussen de deur te steken die zij slaapdronken hebben geopend, ze vegen weemoed op een hoopje met zwartgalligheid, terwijl het daar geen uitstaans mee heeft en ik ook blij kan zijn als een kind, zoals met de vrieskou vanochtend, zoals met het zonlicht dat zo helder op de blaadjes van de linde scheen, zoals met het feit zelfs dat mijn pen bijna leeg is en ik ze straks dus weer mag vullen, een activiteit waar een inktpot aan te pas komt en een zuigertje, een bezigheid die mij verheugt zonder dat ik kan uitleggen waarom maar mocht ik een zwartgallig mens zijn dan zou ik toch zeker geen plezier beleven aan het voltrekken van een pen met koningsblauwe inkt, of aan het verder lezen in dat boek Black Venus, wat ik zo meteen ga doen, ik zit nog maar aan de belevenissen van Marie-Jeanne, speels als een antiloopje en jong en mooi, o zo mooi en met een mond als een gretige zuignap en een clitoris als een bolletje kwik dat steeds aan de top van zijn middelvinger tracht te ontsnappen, als ik die verhalen over boys en negorijen lees dan denk ik aan mijn vader, die in die heidense, heilige periode ook dertien jaar in Congo heeft gezeten en god weet wat heeft uitgevreten zodat ik misschien wel een Afrikaans halfzusje heb zonder het te weten en misschien ook niet, je hebt mannen van whisky en mannen van cola en mijn vader was definitely een man van de cola dus wellicht valt het mee, hoewel de gedachte aan zo'n halfzusje mij niet tegenstaat maar mij juist fascineert, het zou interessant zijn daar eens naar op zoek te gaan, ooit, als de bonussen van de bankiers betaald zijn alsook de belasting op de toegevoegde taksen, als de hond is uitgelaten en het smeergeld uitgekeerd - en er verder geen dringender dingen mijn toch al op de proef gestelde aandacht vragen.

Reacties : jp.mulders@skynet.be


KIM & VANMOL





maandag 2 november 2009

HET LIGGEN AAN ELKAAR - STIJN VRANKEN



Het liggen aan elkaar
als wrakken aan versleten oevers.
De wind die ons niet meer raakt.
Het getij dat ons vergeet. De horizon
die ons niet alleen niet meer vindt,
maar zelfs niet meer zoekt.
Het dan maar lek slaan uit verveling.
De ratten in je romp. De honger.
Het wakker liggen. Roerloos
onder witte vlaggen.

Vooral dat.