NIEUWS     VERKEER      CULTUUR      WEER     SPORT     CONTACT         
Posts tonen met het label Jean-Paul Mulders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jean-Paul Mulders. Alle posts tonen

woensdag 23 februari 2011

EEN VERLANGEN NAAR BLEKE MEISJESKUITEN - JEAN-PAUL MULDERS


Buiten is het vier graden, droog aan de haak, binnen is de chauffagie uitgevallen, de 39e keer de afgelopen maanden, ze krijgen het niet in orde ondanks onze recente investering in een glanzende hoogrenderende ketel, telkens opnieuw laat die het afweten en moet er een technicus komen die iets probeert, alsof het verwarmen van appartementsgebouwen qua moeilijkheidsgraad een bemande missie naar Mars evenaart.

In de gangen van het gebouw klappen deuren dicht en weer open en staan bewoners te jeremiëren, oudere bewoners meestal, die de golden sixties nog hebben meegemaakt en de knaloranje luchterbollen van de jaren zeventig, toen de mens nog dacht dat hij zijn schaapjes zo op het droge had dat hij een gooi naar de sterren kon wagen. Dat hoor je dan ook, aan het geweeklaag van de buren, dat het vroeger zoveel beter was en dat je nu aan alle kanten gepluimd wordt, als oppassende burger, ingeklemd tussen strenge attesten die eerzame verhuurders tot wanhoop drijven en aan de andere kant, daarbuiten, diegenen voor wie wet noch gezag gelden, die hun auto's niet laten keuren, maar vlot de weg vinden naar de spoedafdelingen van onze ziekenhuizen, ge moet maar eens gaan kijken in de grote steden, bij de dienst bevolking en in de wachtlokalen van het ABVV, twee Belgen vind je daar nog en voor de rest allemaal gekleurden, wij kunnen dat toch niet blijven dragen, ge moet maar eens zien als ge ziek zijt hoeveel opleg je tegenwoordig moet betalen.

Zoals wel vaker bevatten dergelijke berichten een kern van waarheid, gehuld in oversized jassen van schrik en voze konijnenvachten. Het is een feit dat de treinen en de politici het laten afweten, dat je nog zelden iemand tegenkomt die mooi werk levert voor fatsoenlijke prijzen en dat, na de kerken en zwembaden, ook de lantaarnpalen omwaaien nu de wind in alle kieren en spleten komt klagen, zoals de dichter heeft gezegd. Die dichter is allang gestorven, overgegaan zoals spirituelere lieden dat noemen. De wereld is niet vriendelijk voor wie te veel en te diep voelt, veeleer voor de beuzakken en de ruwhuidigen, voor de kantoorchefs en voor de syndici, voor de gerechtigden op een functietoeslag van niveau 5. Was ik maar urbanist geworden, denk ik soms, zo een die alles omkoopt en dan volstort met beton, een jonge wolf, een keeper die aanstormende belagers een doodschop bezorgt. Wat moet het heerlijk zijn geen last te hebben van bekommeringen en twijfels, van dichterlijke liefdes of de romantische ziel.

Vandaar dat ik denk, als dochtertjelief sporen van empathie en fijngevoeligheid laat blijken (wat zij vaak genoeg doet, zelfs met de-liedjes-die-niemands-lievelingsliedje-zijn voelt zij mee, daar wil zij dan extra naar luisteren om die liedjes te troosten) : o jee, dat grote hartje zal kleiner moeten worden als het bestand wil zijn tegen de wereld en zijn bewoners. Ik moet haar, als tegengif voor zoveel goede wil en invoelend vermogen, dringend enkele meeslepende passages voorlezen uit het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde. Of anders wel een hoofdartikel uit de krant, daar kom je ook al een eind ver mee, bijvoorbeeld over die vent die zijn grootmoeder probeerde te wurgen omdat zij te veel over zijn kapotte relatie zeurde. Zij werd gered doordat haar pacemaker aansloeg.

Natuurlijk zijn er ook dingen die ons hart doen zingen, zoals de volksopstanden in Tunesië en Egypte, die winden mij op en vervullen mij met een soort hoop, al weet je natuurlijk nog niet waartoe een en ander zal leiden. Het onderbreken van een betoging om collectief te bidden tot Allah, ik weet niet precies wat ik daarbij voel, een cocktail van bevreemding en het verlangen er zelf bij te horen en ook zoveel broeders te hebben - hoewel je moet uitkijken als iets zich broeder noemt natuurlijk, of het nu moslimbroeders zijn of de broeders van liefde. Broeder. Het heeft een smaak van karnemelk en hypocrisie, met die dubbele huig-r, die broeierige oe en de niet te miskennen gelijkenis met woorden als hoeder, voeder en loeder.

Met broeders stook je het huis helaas niet warm, de temperatuur is inmiddels teruggevallen tot iets dat onwelvoeglijk aan de vingerkootjes knaagt. Ik trek mijn kap over mijn hoofd en rommel in de kast op zoek naar onze steun en toeverlaat in bange dagen, het heldhaftige elektrische vuurtje. Buiten wordt het alweer duister, maanden van vrieskou en motsneeuw liggen achter ons alsook, recenter, capriolen van grote vogelzwermen bij valavond. Ik voel een niet te stillen verlangen naar de lente en naar bleke meisjeskuiten, gestreeld door een nog schuchter opwaarts klimmende maar alras stoutmoediger wordende zon.

jp.mulders@skynet.be


vrijdag 28 januari 2011

OPDRINKEN, BARRY! - JEAN-PAUL MULDERS


Nacht is het en ik verdrink mijn slapeloosheid in een fles armagnac, vrees niet dat ik mij zal verliezen in den drank, de armagnac is van 1981 en er zit maar een bodempje meer in, always my servant never my master. Ik drink ter nagedachtenis aan Albert zaliger, vorige keer genoot hij nog mee van deze fles, met ogen die glinsterden van jongensachtigheid, al was hij dan 89, maar nu is hij dood sinds enkele maanden en drink ik hem toe van over het graf. 35 cl, 43 %, mis en bouteille op het eigendom van een zekere Catherine Marcellin, volgens het etiket te bereiken op het nummer 05 62 28 39 30, ook die kleine lettertjes heeft Albert nog gezien. Zo vluchtig is een mensenleven, vluchtiger dan letters op een papiertje, vluchtiger dan sterkedrank. Vluchtiger dan de rook uit een schoorsteen, vluchtiger dan diepvriesspruitjes. Vluchtiger dan een blikken robot Made in Hongkong. Vluchtiger dan slakkenbestrijder van het grappig te noemen merk Escar-Go, gekocht in de Bio-Planet op een zomerse avond. Veruit álles is consistenter dan dat kwetsbare lichaam, die overschatte tempel van ons. Toch leven wij alsof wij onslijtbaar zijn en krasvast, en vullen onze dagen met de twijfelachtigheid van later. Misschien is dat het grootste wonder.

Aan de gekste dingen denk ik bij nacht, als de slaap niet wil komen en de wereld even bevrijd is van het dwaze geraas van de mensen. Aan de mus die ik doodschoot toen ik zes was, met de luchtbuks van Mario Slambrouck. De loop stak door het keukenraam, gericht op de vogels die waren aangetrokken door lafhartig uitgestrooide broodkruimels. De grote jongens schoten tevergeefs en ik mocht ook eens proberen, ze deden er lacherig over maar dat was buiten de waard gerekend, te weten mijn prima oog-handcoördinatie die er tot vandaag borg voor staat dat ik als geen ander flipper, voertuigen in ogenschijnlijk veel te krappe gaatjes parkeer en bordkartonnen belspelpresentatoren aan flarden knal van op een afstand van 100 meter. Opeens lag daar die vogel te trekkebekken, ondersteboven, nog wiekend met zijn vleugeltjes. Uit zijn borst kwam bloed dat veel te rood was. Ik was er kapot van, ontroostbaar, nu nog komt die dode mus soms in mijn dromen spoken omdat ik hem eigenhandig vermoord heb, terwijl ik niet de minste last voel van alle lammeren en hoenderen die sindsdien te mijnen behoeve op industriële wijze gedood zijn en al dan niet met jus overgoten. Ik eet geen dieren die ik zelf heb gekend, maar voor de rest ben ik niet al te koosjer, gespleten hoeven of vinnen, het maakt niet uit en zelfs ravioli, gevuld met prak van herkauwers die met de kop in de richting van Mekka zijn omgebracht. Met verbazing en een zweem van bewondering kijk ik naar die vriendin, die zich het hoofd breekt over de vraag of het wel ethisch is om kaas of eieren te eten, vermits je daarmee dieren uitbuit en berooft. Wat een verschil met mensen die vluchtmisdrijf plegen of kruisen van graven rukken voor de waarde van het koper.

Het is 6 uur 35 minuten en 22 seconden, zo meldt de klok die door radiosignalen wordt aangestuurd vanuit Duitsland en altijd de exacte tijd kent, zo stond tenminste in de gebruiksaanwijzing vermeld en dat voor twaalf euro, het blijven wonderlijke tijden en wie zijn best doet, kan hier en daar nog iets ontdekken dat oprecht is en schoon. Me dunkt dat het tijd wordt om tussen de lakens te kruipen, de vogels fluiten al en het zandmannetje komt, het zandmannetje ach, oogjes dicht en snaveltjes toe, ik wil mij verwarmen aan het meisje dat niet graag weergaloos wordt genoemd. Echter niet alvorens nog enkele bladzijden te hebben gelezen in
De Ongeluksvogels van B.S. Johnson, een boek dat ik cadeau kreeg van een lezer en dat in een mooi doosje wordt geleverd, bevattende 27 losse katernen die je in willekeurige volgorde kunt lezen. Normaal zou dergelijk, naar de jaren zestig riekend experiment volstaan om mijn afkeer op te wekken, alsook de dubbele initialen, maar daarvoor schrijft deze B.S. Johnson te goed, hij heeft een onweerstaanbare naturel en wordt door sommigen beschouwd als een van de grootsten. Toen hij in zijn badkuip zelfmoord pleegde, amper veertig, had hij eerst een fles cognac klaargezet met een briefje voor de vriend die hem zou vinden : "Opdrinken, Barry !" Dergelijke zorgzaamheid neemt een mens voor mij in, al is het ook een beetje triest natuurlijk en wenste ik Johnson toe dat hij een dochtertje van vier had als het mijne. Zo'n dochtertje dat, als ik mij afvraag of mijn hemd gedemodeerd is, zegt dat het álle kleren die ik draag mooi vindt.

jp.mulders@skynet.be


donderdag 30 december 2010

STRIJKIJZER MET KOGELGAATJE - JEAN-PAUL MULDERS


Mijn vriendin het Weergaloze Meisje is een weekend naar andere oorden en wat een man alleen dan uitvoert, dat wilt u niet weten. Praten met de telescoop bijvoorbeeld, die op een veel te zware driepikkel in de living staat opgesteld en tegenwringt als ik hem een meter verderop wil slepen. "Gaan we lastig doen of wat is 't kameraad ?" hoor ik mijzelf in plat Vlaams dreigen om vervolgens - did he fire six shots or only five ? - naar Dirty Harry te kijken en naar een sensatiezuchtige documentaire die wil bewijzen dat vadertje Stalin probeerde mannetjesapen en Russische vrouwen te kruisen om een soort supersoldaat te kweken, wat gelukkig voor de wereld is mislukt.

Ik besluit de televisie uit te zetten en mij te wijden aan creatievere activiteiten, zoals de zoektocht naar het perfecte brood, waar onder meer zuurdesem aan te pas komt of gist, pompoenpitten en maanzaden, verse tijm (enkel de blaadjes) en rozemarijn. Sommigen zullen allicht opwerpen : "Brood bakken, wat voor vent houdt zich daarmee bezig ? Hij zou beter naar de Buffalo's gaan kijken en een Bicky Burger eten." Maar het is sterker dan mijzelf, ik kneed en strooi kwistig zaden uit om die te verwerken tot stevig en waarachtig brood, niet van dat flutjesbaksel dat je aan een koordje om je pols moet binden of het stijgt op en drijft af naar overluchtse oorden.

Terwijl het deeg staat te rijzen, bestudeer ik aandachtig de wandvullende zwart-witfoto van New York die ik enkele jaren geleden bij Ikea gekocht heb in een moment van zwakte. Ik besefte nog niet dat ik daarmee krek dezelfde wandversiering in huis haalde als honderdduizend andere mensen, van Malmö tot Bahrein en verder, die ook voor die poster zijn gevallen en er nu dagelijks op kijken. Geen erg vrolijke gedachte, want als er iets is waar ik niet goed tegen kan, dan zijn het kudden en zwermen, sprinkhanenplagen en pinguïnkolonies en, bovenal misschien, te veel mensen die op hetzelfde ogenblik hetzelfde doen. Daar word ik mottig van, of die mensen nu chakra's openzetten, wulken eten of headbangen met het hoofd in de richting van Mekka.

Het blijft een prachtfoto niettemin, afgedrukt op canvas en gespannen op een kader van enkele vierkante meters groot. De fotograaf heeft gefocust op de Flatiron, het beroemde strijkijzervormige gebouw op de hoek van Broadway waarvan men ooit bang was dat het zou instorten door de luchtwervelingen die het met zijn scherpe constructie veroorzaakte. Uiteindelijk viel dat nogal mee en werden alleen de rokken van passerende vrouwen naar omhoog geblazen, zodat de plaats berucht werd om haar toevloed van glurende mannen. In zediger tijden werd er daarom, naar verluidt, extra politie ingezet.

Nu pas zie ik dat er, helemaal in de linkerbovenhoek van de foto, een mooi rond gaatje zit omkringd door barsten en scheurtjes. Van een opspringend steentje kan het niet komen, aan de omringende torengebouwen te zien bevinden we ons op meer dan honderd meter hoogte. Het gat kan haast alleen maar veroorzaakt zijn door een verdwaalde kogel. Beneden afgevuurd wellicht, in een van die morsige straten, waarna de inslag van het projectiel gereproduceerd werd op ontelbare exemplaren die nu wereldwijd in appartementjes en studentenhuizen hangen. Het beroemdste anonieme kogelgat ter wereld, misschien wel veroorzaakt door dat ene schot dat John Lennon heeft gemist - al zie ik dat ongetwijfeld weer veel te romantisch.

Van het nepuitzicht beweeg ik mij naar het echte uitzicht daartegenover, mijn kneuteriger stad waarin zonneschijn na regen komt en vieze smurrie als het dooit. In de verte bewegen de lichtjes van het grootste reuzenrad met open gondels ter wereld. Ik zie de vertrouwde skyline van middeleeuwse torens en jammer genoeg veel dichterbij : de grijze daken uit de verhalen van duizend-en-één garages. Als ze van die stenen woestijn nu eens een lusttuin zouden maken, of een park vol fabeldieren en fonteinen die klateren. Het zal niet voor morgen zijn, vrees ik, gezien de neiging van het lelijke om het schone te verdrijven. Groter nog is de kans dat er onverwacht een ruimtetuig aan mijn raam zal verschijnen, van waaruit ruimtemannen mij vriendelijk toezwaaien en mij een half pond verse vijgen aanreiken.

Ik mis de lach van het Weergaloze Meisje. Het is tijd dat zij weer thuiskomt, met de bolle kant van een lepel behendig de pitten uit een granaatappel klopt en dan, in het halfduister, stoutmoedige plannen tegen mij fluistert.

jp.mulders@skynet.be

donderdag 16 december 2010

MET RADERTJES & ANKERS - JEAN-PAUL MULDERS


De nieuwjaarsbrief is op sterven na dood, bio-scoopbezoek kan je oren blijvend beschadigen en jonge vrouwen laten steeds vaker Latijnse spreuken tatoeëren ter hoogte van hun staartbeen. Dat alles zegt althans de krant, en zij kan het weten.

In een lade bots ik, verborgen achter likdoornpleisters en een pakje condooms van het merk Trojan Magnum Lubricated (meegebracht uit NY om aan een vriend cadeau te geven), op het polshorloge van mijn vader. Zijn trouwe Longines, waarvan hij op zijn sterfbed vroeg of het nog niet was stilgevallen. In dat soort bijgeloof geloofde mijn vader - alsook een beetje in de maagd Maria, die hij in een zilveren doosje in zijn broekzak bewaarde, verborgen achter een geheimzinnig rood micaatje. Papa stierf, maar zijn horloge tikte voort. Als ik het opwind, blijkt het nog vlekkeloos te lopen en even weeg ik het in mijn hand, niet goed wetend of ik blij moet zijn met die dartele tiktak of hem respectloos moet vinden tegenover mijn vader. Ik besluit tot het eerste, omdat met positieve gevoelens meestal meer valt aan te vangen dan met naargeestige. Het goud is rozig uitgeslagen, het lederen bandje versleten. Ik besluit het klokje vakkundig te laten restaureren en het af en toe opnieuw te dragen.

De jongeman in de chique juwelenzaak die ik heb uitgekozen valt mij op het eerste gezicht een beetje tegen, wegens te gestroomlijnd en te opzichtig welvarend, wegens een te sleeke glans van zijn naar achteren gekamde zwarte haren. Maar hij spreekt met liefde over de Longines van mijn vader. Dat hij opnieuw verguld kan worden, zegt hij, dat hij mij de prijs daarvan zal laten weten vóór wij verder praten. Het glas kan ook vervangen worden, maar dat raadt de jongeman mij af. "Oppoetsen, ontkrassen, nieuw bandje en je zult een heel ander horloge hebben", zegt hij. "Met behoud van de emotie."

Ik heb het gevoel dat hij mij begrijpt, over kloven heen als emplooi en leeftijd. Hij draagt zelf een Longines, zie ik nu, een sportief model met zwarte wijzerplaat en chronometer. "Gekregen voor mijn 31e verjaardag", zegt hij, met iets dat het midden houdt tussen trots en bedeesdheid. Voor ik de winkel verlaat, vergaap ik mij nog even aan de Omega's en de Patek Philippes, aan de Baumes & Merciers die achter gewapend glas de volmaaktheid liggen na te streven. Ik heb de neiging mijn neus op te halen voor alles waar een batterij in zit. Na het scheren met het open mes heeft een nieuwe passie bezit van mij genomen : het mechanische horloge, bij voorkeur automatisch aangedreven door mijn polsbewegingen. De dappere, altijd wat onmachtige manier waarop zo'n uurwerk met radertjes en anker en een onderdeeltje dat de onrust wordt genoemd, probeert zoiets machtigs als de Tijd bij te houden, krijgt mijn opperste waardering.

Tegelijk heeft het iets utterly onnozel, ingewikkelde constructies met volmaakt overbodige tourbillons voor de prijs waarvan je een drieslaapkamerappartement kunt kopen - en die toch altijd minder nauwkeurig lopen dan een kwartsklok van vijf euro. Nergens vloeien waanzin en vernuft, platte status en pure schoonheid surrealistischer samen dan in de wereld van de haute horlogerie. Als het op status aankomt, dan pas ik. Te veel mensen weten doodgaan om met wat dan ook de praalhans uit te hangen.

Mijn vriendin begrijpt er niets van. Zij ziet het aan met lede ogen, ongeveer op dezelfde manier waarop ik met een half oog loer naar So you think you can dance, waaraan zij zich af en toe kan laven. Intussen gaat mijn voorkeur almaar sterker uit naar klokjes die geleefd hebben, naar polshorloges die al tikten voor ik werd geboren, aan de polsen van mannen van wie ik de identiteit nooit meer kan achterhalen, maar die ontegensprekelijk hebben bemind en geademd en op hun horloge gekeken om tijdig op afspraken te verschijnen waarvan het belang nu is verdampt. Die horloges mogen sporen van gebruik vertonen. Ze mogen bolle glaasjes hebben en priegelige letters. Ze mogen van Tsjechische makelij zijn en per etmaal zelfs een paar minuten voorlopen (nooit achter, natuurlijk), want ik hou van de charme van dingen die slechts ternauwernood lukken. Ze mogen zozeer de sfeer van 1958 of 1976 uitademen dat ik ervan duizel. Ze mogen in het doffe ochtendlicht op nachtkastjes hebben gelegen in gebouwen waar dingen werden gefluisterd in talen die ik niet ken. Maar altijd moeten het dappere eilandjes zijn, die in de stuwing der tijden hebben standgehouden en mij de toekomst intikken, onverzettelijk en ontwapenend enthousiast.

jp.mulders@skynet.be


donderdag 2 december 2010

MOOI HE ... ALLES! - JEAN-PAUL MULDERS


"Ken je dat," vraagt Tommy, "zo'n gesluierde vrouw die tergend langzaam het zebrapad overschonkt en je een giftige blik toewerpt, met een air alsof jou koejoneren een daad is van islamitisch verzet ?"

Mijn fietsenmaker is kwaad op de ministers, op het asielbeleid, op de Rondetafels van de Interculturaliteit en op zo nog een paar dingen. "Vijfhonderd euro per dag als de overheid geen opvang vindt", zegt hij, de steen des aanstoot uit zijn bak met schroefjes opvissend. "Dat is toch niet ernstig ? Verdien jij vijfhonderd euro per dag ? Ik niet. Ik moet van zeven uur 's ochtends velo's vermaken om mijn sociale lasten te kunnen betalen, als kleine zelfstandige die in het zweet zijns aanschijns zijn boterham verdient."

In het zweet zijns aanschijns, zo zegt hij dat. Tommy is een gesjeesde student economie. Op de muren van zijn atelier staan spreuken van Marx en van Toon Hermans, ik weet mijn handwerkslieden te kiezen. De laatste jaren zijn hem echter de schellen van de ogen gevallen. "Ik ben geen racist", zegt hij. "Ik ben zelfs niet het soort dat zégt geen racist te zijn om vervolgens racistische praat te kunnen uitslaan. Mijn lief is Nigeriaans en het klopt wat ze beweren : once you go black you never go back. Maar Adoara spreekt vlot Nederlands en denkt hetzelfde als ik : je hebt mensen nodig die mee hun schouders zetten onder het systeem. Geen leger nooddruftigen die wachten op alweer een volgende 'eenmalige' regularisatie."

Hij geeft een nijdige ruk aan het wiel van mijn fiets, die aan solide kettingen aan het plafond bengelt. Het doet hem plezier dat mijn voorlamp weer werkt. "Onlangs zag ik, in het portaal van een gebouw, een zee van schoenen. Katholieke Universiteit Leuven, stond op het bordje aan de gevel, Studentenmoskee. Maar de k van katholiek staat ter discussie. Het is ronduit masochistisch, de nonchalance waarmee wij onze waarden in de uitverkoop zetten."

Bij onze waarden denk ik aan tomatensoep met balletjes en aan luxeauto's die op zondagochtend met een lauw sopje worden vertroeteld. Maar ik begrijp wat Tommy bedoelt. Het is verbijsterend premiers en presidenten opeens te horen verkondigen waarvoor Jan met de pet jarenlang is verketterd : dat de multiculturele samenleving scheitert, om het in goed Duits te zeggen. Hoopte ik nog stiekem dat alles kaderde in een Groot Plan dat de regeerders te gepasten tijde zouden ontvouwen, dan is die illusie nu toch ver te zoeken.

"In Brussel is Mohammed allang de populairste naam voor pasgeboren jongens", zegt Tommy. Nog een jaar of tien en wij hebben niets meer te piepen. Nu al durven banken geen spaarvarkens meer af te beelden. Onreine dieren, weetjewel ? Wat zal het volgende zijn : kerstbomen op straat die beledigend worden bevonden ?

Mijn fiets is klaar, ik ben blij aan de beklemming van de werkplaats te kunnen ontsnappen. De straten van de voorstad geuren naar soep, wat mij aan huisvrouwen met engelenhaar doet denken en zonder zichtbare samenhang aan Roy Orbison. Op een muur staat in koeien van letters gekalkt : MOOI HE... ALLES ! Het doet mij glimlachen dat iemand het risico genomen heeft die boodschap zo groot op zo'n opvallende plek aan te brengen. Enige tellen lang vraag ik mij af op de kalker zijn bericht ironisch zou hebben bedoeld (*).

Op weg naar huis zoek ik de troost op van de Aldi om er - grondig schoon in elk hoekje dankzij speciaal spleetmondstuk ! - een 'Zuigfix voor stofzuiger' te kopen. Properheid zal ons redden, waarschijnlijker dan goden of sterke mannen. In mijn enthousiasme laat ik het kartonnen doosje vallen dat een glazen theekop bevat. De blonde werkneemster die de rekken bijvult, hoort het gerinkel. "Dat zult u moeten betalen, mijnheer", merkt ze nijdig op. "Want u hebt geen winkelkar genomen. U bent verplicht een winkelkar te nemen, dat staat bij de ingang op het uithangbord. Zoniet bent u aansprakelijk voor aangebrachte schade."

Nènènènènèèè-nèh
, zegt ze er nog net niet bij. Ik besluit mij niet te laten kennen, maar begeef mij lijdzaam naar de kassa, met de Zuigfix, zes rollen toiletpapier en de kapotte theekop. "Ik heb die laten vallen", beken ik met hangende pootjes aan de caissière die Khadija heet. Ze glimlacht weemoedig en zet het doosje opzij zonder het aan te rekenen. "Nog een fijne dag voor u mijnheer."

Op de parking moet ik aan Tommy denken. Veel prettiger inderdaad, door eigen volk gekoejoneerd te worden.

(*) Bij nazicht blijkt het hier, helaas, geen individuele verzuchting te betreffen maar een slogan van Loesje (www.loesje.nl).

jp.mulders@skynet.be


maandag 22 november 2010

RIKKETIKKETIK - JEAN-PAUL MULDERS


Het schijnt dat de spoorwegen niet meer goed functioneren. Treinen komen vaker te laat dan op tijd, vertelt mij het Onvergelijkelijke Meisje, dat haast elke dag kriskras door het land spoort. Zij zegt dat een en ander zo gammel verloopt dat je soms bang zou zijn om nog de trein te nemen.

Grillig toch, met alle filemiserie, dat een land niet in de ijzeren weg investeert maar hem laat degenereren. Dat komt natuurlijk doordat grijpgrage kereltjes hun eigen belang laten prevaleren op het algemene. Als mensen hun beklag doen over het spoor dan probeer ik dat niettemin te relativeren en verwijs naar Adolf Hitler, van wie gezegd werd dat hij de treinen in Duitsland weer volgens het boekje liet rijden. Spoedig bleek dat men behalve die klokvastheid een en ander op de koop toe moest nemen.

Zelf rij ik de laatste tijd weer vaak en gretig met de trein, na er door omstandigheden jarenlang uit te zijn weggebleven. Ik haast mij dan tsjoeketsjoekend naar deze of gene verafgelegen stad in het koninkrijk, voor het plezier van de beweging, voor het genoegen koeien en mestkarren gezwind aan mijn raam voorbij te zien glijden en te kijken naar de mensen op de trein, altijd weer diezelfde mooie, geile en ook sluwe mensen, die ik steeds liever gadesla en die mij beroeren, al was het maar door de fascinatie waarmee zij naar een foto in een magazine kijken. Het was een van de betere beslissingen in mijn leven, naast minder fortuinlijke, om een appartement te kopen binnen wandelafstand van het station, vanwaaruit ik gemakkelijk strooptochten kan ondernemen en in geen tijd het station Brussel Nationaal bereik, dat zoals bekend vlot doorreist naar de Galapagos of naar Avery Island - wat ik een prettige naam vind en waar tabasco vandaan schijnt te komen.

Vandaag stap ik af in een stad in de provincie, waar ik een gebouw heb ontdekt dat mij bevalt, een gebouw met een ruigheid die je eerder zou verwachten in een wereldstad. Het is grauw en dreigend en klauwt met zijn kantelen in de helderblauwe lucht. Uit zijn keldergaten komt een geur als uit de boeken van Charles Dickens. Op de bellen staan tongbrekende namen, hoewel de laatste bewoner het pand waarschijnlijk allang heeft verlaten. Uit sierlijk gekalligrafeerde letters blijkt dat hier ooit, in vooroorlogse tijden, 'van 8 tot 12 u. en 2 tot 6 1/2' iets te doen moet zijn geweest. Naar dat iets heb ik het raden.

Vanwaar toch komt mijn voorkeur voor het vervallene en het oude, boven het afgewerkte en het pas gebouwde ? BEKENDMAKING, lees ik op een aanplakbiljet dat kleeft tegen een van de ramen. Het meldt dat hier binnenkort een appartement met garages zal verrijzen na slopen van bestaande bebouwing. Dat vind ik jammer, zoals ik alles jammer vind dat verdwijnt om nooit meer terug te keren, tot niemand nog weet wat hier gezegd en gebeurd is, bijvoorbeeld op 17 februari 1950 om 5 u. 45, toen buiten poedersneeuw viel en een verre kreet was te horen.

Tegen een belendend raam hangt een bloedrode affiche waarop Kruisweg der ongeborenen staat en daaronder, witgekalkt : Boetevaartkomitee. Ook stokoud, aan de 'progressieve' spelling te oordelen. Ik wend mij af en wandel door bevolkte straten, alleen. Alle mensen hebben kids en echtgenoten en chihuahua's en ze kijken naar mij, als ik alleen op een terras ga zitten en mijn pannenkoek bestrooi met suiker. Zij denken dat ik eenzaam ben wellicht maar mijn alleenigheid is zelfgezocht en nodig. Dat ook zij alleen zijn, hebben die mensen nog niet begrepen.

's Avonds, op weg terug naar huis waar men gelukkig op mij wacht, speelt het liedje door mijn hoofd dat dochterlief in de kleuterklas leerde :

Rik-ke-tik-ke-tik, het rééégent


Op mijn rode jas


In de grote plas.


Honderd keer achtereen heeft zij het gezongen, zodat het zich in mijn hoofd heeft genesteld en ik het er moeilijk uitgeschud krijg. Als ik het vaak genoeg zeg, krijgt het iets geheimzinnigs en bezwerends.

Op de trein ben ik getuige van de zon die ondergaat. We rijden de bloedrode bol tegemoet die langzaam naar beneden zakt terwijl rechts van mij ijskoud de maan verrijst. De onwrikbaarheid waarmee deze hemellichamen hun baan beschrijven, treft mij. Ik voel mij een radertje in een kosmisch klokkenspel dat bezig was voor ik geboren werd en dat zal doorgaan als ik er allang niet meer ben, tot niet meer gesproken wordt over de Champions League en over de Nikkei Index. Tot niet meer gesproken wordt tout court.

Rikketikketik
, zeg ik. Het meisje naast mij kijkt even op. Verdiept zich dan weer in haar boek, met de eigenaardige titel Islamitische geometrische patronen zelf ontwerpen en maken.

jp.mulders@skynet.be


vrijdag 12 november 2010

TEKENS & INDICIËN - JEAN-PAUL MULDERS


Ik stel mij de vraag soms, bij het ontmoeten van nieuwe mensen : zou deze mens zich nog wel eens verliezen in het lezen van een roman ? De wereld loopt vol mensen die nooit romans lezen. Soms verkondigen zij dat met een zekere gretigheid en voegen daaraan toe dat het zo'n tijdverlies is. "Ik lees alleen non-fictie", hoor je ook wel, op een toon alsof romans per definitie pop-upboeken zijn over de zeven geitjes. Mensen die zulke dingen zeggen moeten mijns inziens gewantrouwd worden, maar er zijn natuurlijk méér redenen om mensen te wantrouwen en van wantrouwen word je op den duur zo moe. Soms droom ik ervan hoe prettig het zou zijn in een wereld te leven waarin je niet steeds angstvallig deuren op slot moet draaien, laptops in de gaten houden en bang zijn dat de chauffagist je wisselstukken zal aanrekenen die hij niet nodig heeft gehad.

Maar goed, het lezen van romans. Ik zal niet beweren dat het een doorslaggevend onderscheid is in de wereld, maar ongetwijfeld is het bepalender dan bijvoorbeeld al dan niet graag Chocotoffs eten of naar De Anneliezen kijken. Ik zou daarover eens een studie willen lezen : de Gevolgen van het Lezen van Romans op het Menselijk Karakter, Wereldbeeld en Andere Gebieden in het Leven, in Crosscultureel Perspectief. Volgens mij zijn die gevolgen aanzienlijk.

Zou déze mens nog wel eens een roman lezen, gewoon voor zijn plezier ? vroeg ik mij dan ook af toen ik gisteren, op het trottoir voor het appartement waar ik woon, op de politicus botste die luistert naar de naam Johan Vande Lanotte. Hij liep daar heen en weer, druk telefonerend in het Frans, wat natuurlijk zo gek niet is in het licht van de politieke situatie in het land. Nu wordt Vande Lanotte de laatste tijd vaker gesignaleerd in en rond het pand waar ik woon, hij heeft daar zo zijn redens voor van onbesproken allooi. Toch blijft het raar hem in die huiselijke omgeving te ontmoeten. Ik doe dan mijn best niet te staren, want als ik ergens een hekel aan heb dan is het aan mensen die staren naar personen die ze van de flatscreen kennen, of daar ongepast joviaal tegen doen : "Hey, Johan. Lekker weertje he ! En wordt het nog wat, met België ?"

Ik sloop dus weg in de richting van de garageboxen, waar ik mijn stalen ros van stal haalde en mijzelf ijlings wegtrapte in de richting van het station, alwaar zich een fietswinkel bevindt waar ik een gratis gele fietshelm mocht gaan ophalen voor mijn kind - voorwaar een sympathiek gebaar van de fijne stad Gent.

Ik was de fietswinkel nog niet goed binnen of daar stond ik oog in oog met Freya Van den Bossche. Een en ander gaf mij de jeukerige indruk dat de wereld, zoniet volledig dan toch ten aanzienlijken dele, gevuld was met socialistische boegbeelden die meer ruimte innamen dan hun door democratische verkiezingen was toegewezen. Op een bepaalde manier ging van die overtol iets beklemmends uit. Een onprettig gevoel bekroop mij, een associatie met The Invasion of the Body Snatchers die nog aan kracht won door de vallende avond en de lucht die bloedrood kleurde. De Romeinen meenden de toekomst te kunnen lezen in de vlucht van zwermen vogels, maar welke tekens & indiciën liggen vervat in het tegen het lijf lopen van twee socialistische kopstukken in evenzoveel minuten, geheel toevallig en los van elkaar ? Ik probeerde er mijn hoofd niet over te breken, maar vereenzelvigde mijzelf met het behang, dat in deze fietsenwinkel bij nader inzien ontbrak, en glipte dan maar weg in de richting van de noorderzon in de hoop daar een onbekende, partijloze Vlaming aan te treffen.

Ik was blij toen een pittig meisje in een rolstoel mij de weg vroeg naar de Oxfamwinkel. Blijkbaar heb ik een kop waar mensen graag de weg aan vragen, soms tot wel vijf keer toe per dag. Ik legde de te volgen route uit en keek met ontzag naar de geleidehond die het meisje bij zich had, geneigd als ik ben dergelijke honden nobele karaktertrekken toe te dichten, alsof ze een soort boeddha's zijn die toevallig reïncarneerden in de gedaante van een beige labrador. Ze zien er zo wijs en dienstbaar uit, geleidehonden, dat je je nauwelijks kunt voorstellen dat zij naar een kat zouden blaffen of Royal Canin met kip zouden schransen. Waarschijnlijker lijkt mij dat zij, wanneer niemand toekijkt, zich aan de keukentafel zetten en met grote vanzelfsprekendheid een roman beginnen te lezen, de poot zuinig bevochtigend bij het omslaan van een blad.

Het meisje in de rolstoel nam mij onderzoekend op, geamuseerd blijkbaar omdat ik zo onder de indruk was van haar hond. "Dank je wel", zei ze toen met een stem als een meiklokje, en reed er maar weer eens vandoor. Ze droeg kokette laarsjes met hoge hakken, als een daad van lijdzaam maar dapper verzet.

jp.mulders@skynet.be


vrijdag 29 oktober 2010

VISSEN HOUDEN - JEAN-PAUL MULDERS



Het gebeurt vroeg op de dag, als ik besluit dat de auto nu toch wel te vies is om met een tang te worden aangeraakt en hem door de wasstraat haal - om dat vreemde woord eens te gebruiken. Als ik terug buiten rijd, afgedroogd door blauwe lappen die mechanisch maar toch gracieus over de voorruit dansen, raak ik honderd meter ver. Dan geeft de motor de geest. Met geen macht ter wereld slaag ik erin hem weer aan de praat te krijgen. De tergend vage melding check engine floept aan en ook het lampje van de cruisecontrol, wat eigenaardig is vermits mijn voertuig bij mijn weten niet over cruisecontrol beschikt. There's something rotten in the state of Denmark. Waarom is het dergelijk zinnetje dat op dergelijk moment ergens in je hoofd aanfloept ? Daar sta ik op de openbare weg, half op het fietspad zelfs, met alle vier de knipperlichten aan en worstelend met een gevarendriehoek die weigert zich elegant te ontvouwen - hoe zou je zelf zijn, na negen jaar veronachtzaamd te zijn vastgeschroefd aan de binnenkant van een kofferklep ?

Daar sta ik dan te blinken, terwijl de auto's die het wel nog doen voorbijzoeven en fors accelereren, als om het er extra in te wrijven. He-heh ! schallen zij, op de wijze van Nelson uit The Simpsons. Ik voel mij een dier dat niet meer meekon en daarom is achtergelaten aan de kant van de weg, om het voortbestaan van de kudde te verzekeren. Gelukkig wordt deze publieke schandpalerigheid niet al te lang gerekt en verschijnt verrassend vlug een wegenwachter, die op Patrick Haemers lijkt. Zoals het wegenwachters betaamt, is hij van het zwijgzame type. Hij opent de motorkap, wijdbeens en nors, als een die voor de kost gedoemd is in de koolmijn af te dalen, waar hij zes maanden lang gedepriveerd zal zijn van seks en foetbal en van de puntjes in Het Laatste Nieuws, waarmee je een elektrische tandenborstel voor kinderen bijeen kunt sparen (met de beeltenis van Plop, Amika of Piet Piraat).

"Godver", sist de Haemers-lookalike tussen zijn tanden. Even komt het beeld in mij op van een afgezaagde loop. "Kom hier nu toch eens kijken !" In het motorcompartiment staat genoeg water om een school schichtige makrelen in onder te brengen. De waterafvoer blijkt verstopt door rottende bladeren die zich daar in de loop der tijden hebben verzameld, in bossen en op eenzame plekken, bij bezoeken aan bunkers en tankstations en bewakers van relikwieën van Godfried van Bouillon. Het spreekt vanzelf dat Haemers dit niet ter plekke kan oplossen. De auto moet worden weggesleept, als een gevallen soldaat aan wie weinig egards worden betoond. Zijn koplampen, die altijd al wat grimmig keken, pinken nog een traan weg. Van die rare dingen heb ik met machines voor, dingen die je niet voor mogelijk houdt, het moet een soort karma zijn dat zich uit via expansievaten en luchtmassameters, al ontgaat mij de zin daarvan.

Daar sta ik dan, plotsklaps herleid tot voetganger. Bevrijd van mijn blikken harnas en de daaraan gekoppelde verplichting van krijgshaftigheid, loop ik door de stad, waar de schaduwen lang zijn en de zon nog wat troostwarmte schenkt alvorens ons achter te laten in donkere putten van strooizout. Een niet te onderschatten voordeel van een te drukke agenda is dat elk gestolen uur smaakt als gezuiverde zuurstof. Trams knarsen prettig in de rails, een meisje wankelt op te hoge hakken en glimlacht naar mij, verontschuldigend zou je haast zeggen. Steven Heene passeert per fiets en zwaait. Ik loop voorbij een etalage waarin een boek ligt met als titel De spirituele reis van de vreedzame krijger. Bij goedkope juwelen ligt een handgeschreven stuk karton : wissel eens van kleur naargelang uw humeur. Ik zoude mij daarmee nog bezig moeten houden.

In een kansarme buurt, waar de koppen grauw en rood zijn van rookgerief en alcohol, waar de straten naar bomen genoemd zijn en naar de vruchten daarvan, heerst een onverwacht soort rust. Ik ga zitten op een bank en kijk naar het vallen van het blad, in het besef dat ik dat vaker zou moeten doen, in plaats van schuimbekkend mijn staart achterna te jagen als een dolle hond. Misschien is het dat wat het karma van nokkenas en kleppen mij probeert uit te leggen, en misschien ook niet. Wie zal het zeggen ? We hoeven de dieselmotor met commonrailinspuiting nu ook weer geen te grote zeggingskracht toe te dichten.

Vaak stribbelt de wereld tegen als een jengelend kind. Soms ook is hij onverwachts bereid om mee te werken. De avond van de volgende dag word ik gebeld. Niet zonder trots laat de garagist weten dat de auto, met alleen kosten voor een nieuwe pollenfilter, geheel is uitgedroogd en zingt als een sijsje met McPhersonveren.

jp.mulders@skynet.be


vrijdag 15 oktober 2010

HET NAARSTE GEBOUW VAN HET LAND - JEAN-PAUL MULDERS



Wie zou geordonneerd hebben dat een gsm-gesprek voorgaat op een telefoongesprek, dat dan weer voorgaat op een face-to-facegesprek ? Het staat nergens geschreven en toch lijkt het een gedragsregel waaraan iedereen zich houdt. Je staat bijvoorbeeld in een bloemenwinkel, de vrouw van de winkel is bezig je bloemen in te pakken in zo'n vel cellofaan dat gillend van de rol wordt gerukt. Opeens gaat de telefoon en zegt ze sorry en begint breedvoerig met de mens aan de andere kant te praten, tot haar gsm overgaat en ze die ook beantwoordt natuurlijk, en zowel de mens aan de gewone telefoon als jij moeten wachten tot ze daarmee klaar is.

De vrouw van de bloemenwinkel, haar rol cellofaan en ik bevinden ons in het stadje K., waar ik geregeld terugkom omdat ik er geboren ben en daardoor het gevoel heb dat K. een soort wormgat is, een met klinknagels versterkte poort naar de andere wereld die hier achteloos op een kier is blijven staan. Magisch denken, natuurlijk, en naar alle waarschijnlijkheid erg onnozel maar hey, is het supporteren voor een voetbalclub waarvan winst of verlies je geen sikkepit oplevert in de grond van de zaak ook niet redelijk debiel ?

In K. staat, om tot de kern te komen, naast een oud Belfort waarop de jaquemarts Manten en Kalle het uur slaan, ook de Collegetoren : een constructie die al van ver oprijst en die mij altijd heeft doen denken aan een reusachtige, ouderwetse rekenmachine van Texas Instruments die plompweg in het landschap is achtergelaten. Een fallussymbool van zestien verdiepingen dat, met zijn brooddoosstijl en blauwe schutpanelen à la jaren zestig, ongetwijfeld in aanmerking komt voor de titel Naarste Gebouw van het Land. Het zou knokken worden met de pensioentoren in Brussel, maar ik denk dat de Collegetoren het haalt. Ooit was het een voorbeeld van daverend vooruitgangsoptimisme, dit hypermoderne internaatsgebouw in een college met groene sportvelden en een geschiedenis van honderden jaren. Toen ik zeven was en aan het College ( Collegie, zeiden de mensen) zou worden ingeschreven, troonde de superior mijn moeder en mij trots mee naar de bovenste verdieping, waar we een schitterend uitzicht hadden over de omgeving, maar ik vooral geïmponeerd was door de zuigkracht van de paaltjes beneden.

Een derde van een eeuw later, het blijft verbazend in dergelijke tijdmaten te kunnen spreken, staat de toren te verkommeren. Hij is grotendeels verlaten en op de bovenste verdiepingen heerst een onvoorstelbare chaos, representatief voor de vooruitgang die per slot van rekening een beetje is tegengevallen. Een plaatselijke politicus, die ik langs tinternet leer kennen en die ook in het Collegie zijn broek heeft versleten, zegt nog te weten hoe zij in de jaren zestig de toren moesten helpen financieren met de verkoop van Domus-Deilotjes : "In de studiezaal had de surveillant een grote poster opgehangen, waarop een building stond afgebeeld. Naarmate de lotjesverkoop toenam, werden er verdiepingen ingekleurd. Wij geloofden niet helemaal dat een zo futuristisch project er ooit echt zou komen, maar enkele jaren later zaten wij te daveren in de klas bij elke mokerslag waarmee de pijlers waarop de toren zou rusten in de grond werden geklopt."

Nu zijn er plannen om de toren af te knotten en een boogscheut verderop - zo zitten mensen in elkaar - een nieuwe en nog hogere te bouwen. Elf jaar heb ik daar gezeten, in de slagschaduw van dat gedrocht. Op de een of andere manier ben ik ervan gaan houden en oefent zijn nakende afbraak een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uit. Is het - vijf bladzijden, Mulders ! - het strafwerk dat ik hier kreeg ? De refter met de vleessla die we gedwongen werden op te eten ? De flessen tafelbier van Piedboeuf, waaraan je je ondanks het minieme alcolholgehalte kon beroezen als je er genoeg van dronk ? Of de Koetjesreep, ons vaste dessertje ? Waarschijnlijker is het het gevoel dat uit al deze details kan worden samengesteld : dat alles nog mogelijk was voor ons.

Ik wil erbij zijn als de toren tegen de vlakte gaat. Desnoods neem ik vakantie om van op de eerste rij toe te kijken. Misschien neem ik een brokstuk mee en kader het in, zoals dat puin van de muur in Berlijn. Daar hoort een foto bij van de Collegietoren in oprichting, met arbeiders die op poutrellen hun boterhammen zitten op te eten. Die foto's schijnen schaars te zijn, ik heb er in elk geval nog nooit een gezien. Alsof de toren wil verhullen dat hij ook maar door mensenhanden is gebouwd en dat de wereld zonder hem zal blijven bestaan, tot op een dag niemand nog zal weten dat hij vruchteloos naar de wolken heeft geklauwd, zoals wij allen, de een al hoger en tevergeefser dan de ander.


jp.mulders@skynet.be


maandag 11 oktober 2010

TOEN JIJ NOG VLOEIBAAR WAS - JEAN-PAUL MULDERS


De jonge vrouw naast mij op de trein is behekst door het woord mega. Overal heeft zij het nu al voor geplakt, ik heb megabang gehoord, megadik en megagroot. Modewoorden komen en gaan, maar de voorvoegsels mega- en kei- hebben zich me dunkt voorgoed in ons taalgebruik genesteld, als een soort zwam waarvan men niet goed weet wat ervan te denken. Beide woorden kunnen gebruikt worden als een soort koolstofdateringsmethode, die toelaat te bepalen hoe oud een taalgebruiker is. Zo zal iemand uit 1970 niet snel iets kei-ironisch of mega-afgelebberd vinden, of het moest iemand zijn die erg zijn best doet om jong en hip over te komen en zich belachelijk maakt, zoals die manager uit In de Gloria die dol is op (sic) de Guana Apes. Onder de dertig is het doorspekken van je taal met keien en mega's echter volstrekt ingeburgerd, hoewel ik het nog altijd niet erg esthetisch vind.

De mega's van de jonge vrouw in de trein zijn inmiddels in een bepaalde, onprettige richting geëvolueerd. Ik hoor megaverward, mega-agressief en megawankel. De loop die het gesprek neemt, is keibeklemmend. Het meisje studeert blijkbaar geneeskunde en loopt stage in een ziekenhuis, afdeling cardiologie. Ze vertelt sterke verhalen over de patiënten aan de twee wat snobby vriendinnen die haar vergezellen. "Soms zijn die mensen mega van de wereld", zegt ze. "Zo wou een oud vrouwtje weten wat er in mijn zakken zat. 'Het zijn vast en zeker soldaten', beschuldigde ze mij met priemende oogjes."

Een andere bejaarde eet de helft van haar middagmaal op, maar weigert pertinent de rest naar binnen te spelen, omdat ze die wil sparen voor haar zoon. Dan is er nog de West-Vlaamse boe-rin die in het holst van de nacht naar haar veld moet omdat haar karoten anders zullen vorten.

De meisjes lachen, met een mengsel van vermaak en afgrijzen en, naar mijn gevoel, te weinig deernis. Ze beschouwen grijsaards blijkbaar als een aparte diersoort en zien ouderdom niet als iets wat elk van ons uiteindelijk overkomt - als hij tenminste lang genoeg blijft leven. Eenzaamheid bekruipt mij als ik aan de oudjes in die ziekenhuizen denk, die ronddwalen in de catacomben van hun eigen bouwvallige herinneringen en door niemand nog serieus worden genomen. Betutteling begint trouwens vroeger dan je denkt, het zet zich tegenwoordig al in rond je veertigste. Zo ondervond ik onlangs, toen ik een verse laptop ging kopen. "Ként u het internet al, mijnheer ?" vroeg de verkoper welwillend. Zo oud zag ik er blijkbaar uit. Ik keek de snaak onderzoekend aan. "Ik zat al op het internet toen jij nog vloeibaar was", wilde ik zeggen. Maar ik zweeg, natuurlijk, zoals krimpende mensen doen, geïntimideerd als zij zijn door de dictatuur van de jeugd.

"Ik zou nooit verpleegster willen zijn", haalt de studente geneeskunde mij uit mijn overpeinzingen. "Het zal je maar gebeuren, dat je zo'n kamer binnenkomt waar een wildvreemde vent in zijnen bloten ligt en dat je zijn dzjoefel moet wassen." Het woord dzjoefel heb ik niet eerder gehoord, maar ik vind het een opname in de dikke Van Dale waard. Even stuitert zelfs het woord megadzjoefel rond in mijn hoofd. De twee andere meiden rillen van de gedachte wildvreemde dzjoefels te moeten reinigen. Ik zoek de ogen van de man tegenover mij in de trein, die echter geen spoor van interesse toont. Hij staat op sluimerstand, zoals wel meer door de wol geverfde treinreizigers die zichzelf willen beschermen tegen een overkill aan medemens.

De doktores in opleiding heeft er nog niet genoeg van. Nu haalt ze een mensje van 82 over de hekel dat het gewaagd heeft te klagen over een pijnlijke prik. "Kom nu", doet de studente verontwaardigd. "Als je daar ligt te wachten op een zware hartoperatie dan ga je toch zeker niet moeilijk doen over een spuitje ?"

Ik kan er niet goed tegen dat het leed van die mensen, al is het dan anoniem, te grabbel wordt gegooid voor alle oren in dit treincompartiment. Het doet mij aan mijn grootmoeder denken, die in haar laatste weken ook de grip op de werkelijkheid verloor. Misschien is deze meisjes nog niemand ontvallen, dwing ik mijzelf begripvol te zijn. Ik kom ze nog vaak genoeg tegen : mannen en vrouwen van wie alle geliefden nog leven. Wat voor zorgelozer, onbesuisdere wereld moet dat niet zijn dan de mijne ?

Toch mag ik mij niet voorstellen dat ik daar zelf in een ziekenhuisbed zou liggen, begaapt door studenten met een festivalbandje om de pols en nog wat bladgroen achter de oren, die op de trein sappig vertellen over mijn dolen en raaskallen. Gelukkig houden de drie meisjes dat onderwerp nu voor bekeken. Ze beginnen over reizen - megaverre natuurlijk en megagoedkope.

jp.mulders@skynet.be


donderdag 30 september 2010

DE WAARHEID OVER GROTE MENSEN - JEAN-PAUL MULDERS


Hedenochtend ben ik opgestaan voor dag en dauw, hoewel dat met een korrel zout moet worden genomen vermits in de stad weinig dauw valt te ontwaren. Van dauwtrappen belooft aldus niet veel in huis te komen. Ik zie mij al bezig, op de binnenplaats waar de afvalcontainers staan - geen hete stoffen inwerpen - en waar onkruid opschiet met die gretige onverwoestbaarheid die je alleen bij onkruid ziet, hier op de koer en ver daarbuiten.

Het is het tijdstip dat, geloof ik, l'heure bleue wordt genoemd. Boven de pikzwarte daken en bomen, boven de hijskraan die met haar reuzen-arm wijst naar het oosten, komt zoiets als een nieuwe dageraad aangezet, met roze slierten en wolkjes die schaapachtig wegdrijven. In de verte loeit een sirene, op weg naar een of ander onheil. In de lucht zijn nog sporen te zien van een vliegtuig dat is overgevlogen, wat mij altijd hoopvol stemt omdat ik denk dat zo'n vliegtuig wel op weg zal zijn naar prettiger oorden.

Ik trek mijn schoenen aan, niet de stoute maar de grijze, waarvan de zolen haast zijn doorgesleten door de processietochten richting taak & plicht, richting koelafdeling van de Colruyt of Delhaize. Ik heb geprobeerd er nieuwe zolen op te laten leggen maar mijn schoenmaker, Christiaan, keek mij mismoedig aan. "Dat merk is overgenomen", wist hij over de schoenen te melden. "Sindsdien zijn ze niet meer zo degelijk als vroeger. De zolen worden trouwens speciaal zo vervaardigd opdat ze niet meer gerepareerd zouden kunnen worden."

Opdat
, ja. In dat soort precieze bewoordingen drukt mijn schoenmaker zich uit. Hij leest dan ook goede boeken en speelt tussen het lappen van twee stilettohakken door al eens een partij schaak in het keukentje achter zijn zaak. Christiaan is het soort mens dat mijn geloof in de wereld intact houdt. Een vakman in hart en nieren die liefde voelt voor zijn werk en die - hoewel de man sinds lang is gestorven - koppig de naam van zijn vader blijft vermelden op de winkelzakjes. Fabrikanten die je dwingen nieuwe schoenen te kopen als de oude juist karakter krijgen, daar baalt Christiaan van. Zulke platte commerce vecht met zijn gevoel voor eerlijkheid en kwaliteit.

Maar ik ben, dunkt mij, een beetje afgedwaald. Ik bevond mij in mijn appartement, waar ik ben opgestaan voor dag en dauw, mijn schoenen heb aangetrokken met de versleten zolen en mij nu naar beneden begeef in de lift die na een halve eeuw labeur begint te schuddebuiken. In geval van oponthoud, gebruik de alarmknop, staat op een ijzeren plaket te lezen. Ik haal de kranten uit de bus die mij vergasten op straffe, flauwe, onthutsende, lauwe, prikkelende, ergerlijke, ernstige, hilarische en de laatste tijd weer vooral kokhalsverwekkende feiten. En op reclame ook, natuurlijk. Bijvoorbeeld van de Post die biepost wordt, kun je 't geloven ? Is dat de stralende toekomst waaraan onze voorouders bouwden ?

Buiten is het nu helemaal klaar en ik rijd de auto achterwaarts uit de garage. Een kat met zwarte en witte vlekken, die als ze groter was verdacht veel op een koe zou lijken, slaat mij van op het dak nieuwsgierig gade. Op Radio 1 zeggen ze tussen het voetbalnieuws door iets over schijnexecuties en folterpraktijken.

"Wat is dat, papa, folteren ?"

Het is een vraag waaraan ik mij binnen afzienbare tijd mag verwachten. Zoals onlangs, toen wij in de fauteuil - zij met een Fristi met minder toegevoegde suikers - naar het journaal van zes uur zaten te gapen. Opeens waren ze daar, out of the blue : dertig dode mannen die ergens in de wereld slordig op een wegdek lagen.

"Wat doen die meneren daar ?" wilde zij weten.

"Die meneren waren zooo moe dat ze direct moesten slapen."

"Waarom ?"

"Ze hadden geen tijd meer om in hun bed te geraken. Hun oogjes vielen toe."

"En gaan daar dan geen auto's over rijden ?"

"Ze zullen die wel op tijd verwittigen."

Er ging treurigheid van uit deze uitvluchten te moeten verzinnen, maar wat kon ik anders ? Dertig doden is wat veel ineens voor een kind van 3 jaren en 8 maanden. De waarheid over grote mensen zal zij gauw genoeg achterhalen. Liever laat ik haar nog even bang zijn voor de boze wolf, die in de versie van Mijn eerste sprookjes de oma van Roodkapje niet opvreet, maar haar netjes opsluit in een kast - tot hij wordt weggejaagd door vader. Roodkapje belooft nooit meer met vreemden te zullen praten.

Ik zet de auto in zijn eerste, laat de koppeling opkomen en rijd behoedzaam weg, in de richting van Lovendegem. De lucht ruikt naar haardvuur en mandarijnen. En zelfs al naar de Sint, die met schichtige ogen achter goudomrande brillenglazen ook dit jaar weer zal vragen of alle kindjes wel zoet zijn geweest.


jp.mulders@skynet.be

donderdag 23 september 2010

SCHOON LACHT DE TOEKOMST DAARBUITEN - JEAN-PAUL MULDERS


Op een woensdag die weinig verschilt van dins- of donderdagen, kom ik mijzelf tegen in de koele nissen van een kathedraal. Wat is dat toch, dat ik basiliek noch kapel kan passeren zonder de aandrang te voelen binnen te gaan ? Strikt gezien ben ik niet gelovig, ik wantrouw alles wat mensen in naam van een god willen opleggen aan andere mensen. Ik ben wat men noemt een agnost, dat mossel-noch-visschepsel dat de schouders ophaalt en zegt : misschien, wie weet, perhaps. Ik verzet mij tegen alles wat zweemt naar het grote gelijk. Of men nu beweert dat er iets is of niets is : het is de stelligheid van de bewering die mij irriteert.

Ik zit bij het gipsen beeld van een vervaarlijk devoot loensende pater, niet ver van de draaimolens met metalen pieken waarop kaarsen geofferd worden. Ik heb zicht op een vrouwspersoon die, voorzien van voorschoot en steekmes, met kordate gebaren kaarsvet wegschraapt en stompen verwijdert. De mensen die de kaarsen hebben aangestoken zijn inmiddels ver weg, met hun zorgen en hun dromen. Zo ook de mensen die de kathedraal hebben vervaardigd en die allang dood zijn, terwijl hun bouwwerk nog zijn vingers naar de hemel strekt. Zij konden niet vermoeden dat er apps voor iPhones zouden komen, en bisschoppen die geldsommetjes storten met Pasen.

"Ik ging eens bidden tot Maria...", hoor ik een vriendelijke Nederlander zeggen. Hij draagt een rugzakje en heeft een kop als die van Gerard Reve. "En heeft het geholpen ?" wil het kind dat hem vergezelt weten. Zijn antwoord gaat echter in geschraap verloren, de vrouw met het schort is begonnen aan de volgende kaarsendraaimolen. Noeste arbeid waar ze een verbeten trek van om de mond krijgt, als een die weet dat niet genot maar leed de grondkleur is van de wereld.

Vandaag zou mijn betreurde grootmoeder, zij die mij grootgebracht heeft, de leeftijd van 88 jaren bereiken. Twee jaar en een handvol maanden is zij echter dood, en er zou al eens een half etmaal durven passeren waarin ik niet aan haar denk maar mij verstop in het koren, in de waan van de dag tot de pikdorsers komen. Dan voel ik mij schuldig want ik wil haar niet lossen. Ik wil niet dat de tijd de grote heler kan spelen. Liever klamp ik mij vast aan onze keuken in 1984, waar ik een boek lees van Valère Depauw godbetert. Op weg naar Montségur. Grootmoe werpt een biefstuk kissend in de pan en strijkt in het voorbijgaan even over mijn haren, naar ik geloof zelfs zachtjes. Een deel van mij gaat verder, naar de schone toekomst die daarbuiten lacht. Nu al zijn er tekens van verval maar wie in het schuitje zit, wordt verondersteld te varen. Soms hef ik zelfs een kaperslied aan of kijk likkebaardend op webshops en door winkelruiten naar de draagbaarste versie van de MacBook Pro, met 2,4 of 2,66 GHz.

Je ziet nogal wat, in zo'n kathedraal, hoewel het natuurlijk de catwalk niet is. Een wat sullige man op Birkenstocks sloft voorbij in een T-shirt waarop in koeien van letters Pearl Harbour staat. Je vraagt je af waar sommige mensen hun kop staat bij de keuze van hun vêtementen. Zou Nine Eleven het ook nog eens tot T-shirtopdruk schoppen ? Hiroshima is inmiddels een gewone stad, waar schoolmeisjes boterhammen smeren met choco.

Enige oogwenken later sta ik weer buiten, in wat gemakshalve al eens de openlucht wordt genoemd. Er hangen nog flink veel bladeren aan de bomen. Ik neem plaats aan een tafeltje op een terras, in de wetenschap dat het de laatste keer kan zijn in het jaar 2010, de laatste keer tout court misschien. Verwonderlijk hoe weinig wij ons daaraan gelegen laten. De man aan het tafeltje naast mij bestelt een Duvelke, met dat teder verkleinwoord waar gevaar in loert. De vrouw prevelt iets onduidelijks, waarin ik het woord Boursinblokskes meen te onderscheiden. Ze knipt met haar vinger een wesp weg die zinnens was zich in haar decolleté te nestelen. Twee ogen maar heb ik, om zoveel wereld in mij op te nemen. Twee oren slechts om alles mee te horen. De man predikt over gashendels en rijbewijzen. De vrouw trekt aan haar sigaret, drinkt cola met een rietje. Verlegt het onderwerp naar Maurice De Wilde, vervolgens naar de bulten van kamelen. Drieduizend euro, zegt de man, en hij lacht een kerkhof van tanden met groene randen. Mensen bestellen tripels in het holst van de dag. Op het einde van de straat, aan de rechterkant van de vader, is een schoenmaker gevestigd. In de zomer verkies ik zolen van crêpe. Fijne koffies De Draak. Neem je mijn PARKEERPLAATS, neem dan ook mijn HANDICAP !

Ik verlaat het terras zonder achterlating van fooi, want fooien doen mij denken aan leenroerigheid. Aan lakeien die buigen als knipmessen.

Nog steeds is het woensdag, zo'n dag die niet van plan lijkt veel potten te breken of zich anderszins van andere dagen te onderscheiden.

jp.mulders@skynet.be


vrijdag 25 juni 2010

LIEVER ARMAGNAC - JEAN-PAUL MULDERS


Waar ik nog steeds niet naar kan luisteren zonder golven van weemoed te voelen aanrollen, is het prachtnummer Est Miskien van de Wevelgemse wereldgroep Het Zesde Metaal. Wellicht moet West-Vlaams je moedertaal zijn om dat te begrijpen, maar Est Miskien behoort voor mij tot die zeldzame scheppingen van drie minuten die een heel kunstenaarsleven rechtvaardigen. De zanger, Wannes Capelle, is nog jong. Hij schijnt een IJslands lief te hebben, in welker taal hij ook wel eens zingt, en werkt momenteel aan een tweede cd. Ik kijk daar naar uit met een mengsel van halsreikendheid en schrik dat hij het niveau van de eerste niet zal halen. Allerdings hoop ik dat hij veel airplay zal krijgen, op zijn minst evenveel als het supermarktsurrealisme van De Mens, die droomde dat hij sliep.

Est Miskien
is dus een weemoedbom voor mij, waarin splinters van gemis zijn verborgen. Geen effectievere manier om mijn gemoed vol te laten schieten dan daarnaar te luisteren, wat een zuiverend effect kan hebben, je gemoed vol laten schieten op gecontroleerde wijze, in plaats van afscheid en teloorgang in gespreide slagorde op je te laten inwerken als die Chinese martelmethode waarbij om de paar seconden, dag en nacht, een druppel water op je kop wordt geplensd. Dat liedje zit zo vernuftig in elkaar dat het blijkbaar op al mijn knopjes duwt, aan alle hendeltjes trekt waarachter zich liefde verschuilt voor wat verdwenen is, voorgoed. Ik zou de tekst wel in het Nederlands willen vertalen, en in weerwil van de Vlamingen ook in het Frans, zo schoon vind ik hem bij elke herbeluistering, ongeveer om de 7 1/2 maand, maar wellicht zou hij aan glans verliezen zonder skoer'n en den trieng.

Wie het genot niet kent zich vloeiend in het West-Vlaams te uiten en op zoek is naar een ding van schoonheid in de standaardtaal, durf ik Schaduwkind van P.F. Thomése in de pollen te duwen. Het boekje verscheen al enkele jaren geleden, maar ik kwam het bij De Slegte tegen, waar het in bulk lag voor 2,99 euro, wat schandelijk mag heten vermits dat ongeveer de prijs is van een Filet-O-Fish. Het gaat opnieuw over gemis, zij het niet van een oude grootvader maar van het gestorven kleine meisje dat de dochter van de schrijver was : "Hoe zou haar Etruskisch hebben geklonken ? Hoe haar stem ? Waar is de sneeuw die nooit is gevallen ? Een paleis of een andere trivialiteit valt desnoods weer op te bouwen, maar wie herstelt de kus van een meisje dat nooit heeft gekust ? Wie graaft haar geuren op, haar lach ? (...) Ergens in de taal is zij nog, ergens tussen een paar woorden in."

Ik vind dat zo aangrijpend - onderkoeld en tegelijk erg liefdevol - dat ik tien van die boekjes heb gekocht, om cadeau te doen aan vrienden en op restaurant als fooi te geven. Stel je de verachting voor op het gezicht van de kelner, mocht je zoiets daadwerkelijk doen.

Ook in mijn persoonlijke leven was de harde kant van het bestaan de afgelopen week vrij prominent aanwezig. Zo ging ik, vergezeld door mijn dochter van 3, op bezoek bij mijn neef van 89. Vijf jaar geleden reisde hij nog naar San Francisco en dronken we samen armagnac uit 1981, maar de laatste tijd heeft hij terrein verloren zodat hij nu met behulp van een bleekblauwe kraan in bed moet worden getakeld. Zijn been is afgezet en zijn nieren falen, maar hij beschikt nog over een scherp verstand. Ik had een geurkaars meegebracht en zag in zijn ogen een jongensachtige fonkel, die mij beviel en die verried dat hij gvd liever de rest van die armagnac had gehad.

Na ons bezoek maakten dochter en ik nog een ommetje langs het speelplein. Op de bankjes waarmee het afgeboord is, zaten drie jonge koppeltjes van telkens een Vlaamse en een Afrikaan, die elkaar betastten en belikten en ons omsingelden, zodat ik het gevoel kreeg te zijn terechtgekomen in een bizarre film.

"Waarom had die mijnheer maar één been, papa ?" vroeg Liv opeens, terwijl zij de hele middag had gedaan alsof zij dat niet zag. Ik stak een gebrekkige uitleg af over oud zijn en vallen en dat zij geen schrik moest hebben dat háár dat zou overkomen, vermits zij nog jong was en kerngezond.

"Ja, want ik ben Livje", lachte ze, zonder duidelijk verband. Ik heb haar zelfvertrouwen maar intact gelaten.

En ik prees haar om haar empathie, omdat ze niet had zitten staren, maar mijn neef een waskrijt in de beverige handen had gestopt. Zo kon hij mee de paddenstoelen in haar boekje kleuren, wat wij elk om beurten mochten doen, op haar commando, het liefst in tinten die je bij een echte paddenstoel niet ziet.


jp.mulders@skynet.be


donderdag 17 juni 2010

ZEVEN PLANEETKRACHTEN - JEAN-PAUL MULDERS


'Ik ben GEK', lees ik op een verkiezingsaffiche, en ook nog : 'Brussel verdient Parys'. Ik denk dat ik daarmee het ergste wel gezien heb, tot ik in de West-Vlaamse heimat aanbeland. 'Geef je fiat aan Mercedes', prijkt daar in de graskant. De blondine die erbij is afgebeeld, glundert van trots om de vondst. Mij doet die denken aan het eerste middelbaar, toen we er in de Latijnse les gnuivend achter kwamen dat 'zo de vrede zo de brug' vertaald kan worden als tam pax tam pons. Dat nivo. Geef je fiat aan Mercedes. Je verstand staat erbij stil dat er ergens een vergadering heeft plaatsgevonden waarop iemand die slogan uit zijn mouw heeft geschud, en de andere vergaderaars enthousiast riepen : "Dat gaat aanslaan ja, dàt is het helemaal !"

De Mercedes in kwestie, die voluit Van Volcem blijkt te heten, herinnert mij eraan dat ik mij straks weer ter stemhok moet begeven, met niet zo gek veel overtuiging dat dat iets zal veranderen. Toch zal ik naar het schooltje afzakken verderop in de straat, waar het riekt naar kelders en tijdslijnen, naar de kerstening en Godfried van Bouillon - sommige dingen houden langer stand dan je zou verwachten in de stuwing der tijden. Ik zal geen 'kust allemaal mijn kl' op het biljet krassen maar geldig stemmen, terwijl Stijn Meuris zich nog eens omdraait.

Om foert te zeggen is mijn respect voor degenen die hun bloed hebben gelaten voor het algemeen enkelvoudig stemrecht te groot. Ik ben nu eenmaal zo'n keurige burger die zijn facturen op tijd betaalt. Zo'n fatsoenlijke rakker die een brief die hij per ongeluk ontvangt en die iets geheimzinnigs lijkt te bevatten, twee straten verder ongeopend in de juiste brievenbus gaat stoppen. Zo'n braafhals die, ik schaam mij haast het te bekennen, zijn geld nog parkeert op een spaarboekje. Zo'n Lamme Goedzak die, het wordt almaar erger, netjes aanschuift in de file terwijl anderen de witte streep oversteken en vrijmoedig verdwijnen in de verte.

Soms vraag ik mij af wie mij met die vervelende drang naar fair play heeft opgezadeld, het is duidelijk dat die uit de tijd is en dat je met een dergelijke instelling moet uitkijken niet onder de voet te worden gelopen. In de moderne wereld is eerlijk spel erg out of fashion en daar zie je dagelijks de fijne resultaten van. Zelfs mensen die in normale omstandigheden de vonk van het optimisme hebben, zeggen dat zij tegenwoordig neerslachtig worden van het nieuws.

Gelukkig kom je af en toe ook nog iets prettigs tegen. Tijdens het fietsen bijvoorbeeld, stoot ik in volle stad onverwacht op een kolonie mekkerende holhoornigen, blijkbaar een proefproject van de Stad Gent. "Mijn zussen en ik mogen grazen op de bermen langs het water", spreekt een schaap mij van op een pancarte partijloos aan. "De Stad wil nagaan of wij de taluds beter kunnen onderhouden dan maaimachines. Ik denk dat dat ons wel zal lukken, want wij zorgen voor een grotere biodiversiteit. Als wij grazen, hebben kleine beestjes zoals insecten en amfibieën voldoende tijd om te ontsnappen. Via onze mest en onze wollige vacht zorgen we ook voor de verspreiding van plantenzaden. Wij kunnen heel makkelijk op de hellingen rondlopen en de bomen en hagen passeren we zonder ze te beschadigen. Wij verbruiken geen brandstof en vervuilen het milieu niet."

Mijn vriendin, die nogal gemakkelijk vies is van herkauwers, staat er van op afstand naar te kijken. "De wereld heeft meer herders nodig", zegt ze filosofisch. Ik weet niet of ze dat meent of er de draak mee steekt. Zelf vind ik het experiment in elk geval redelijk fantastisch. Onwezenlijk dat het in dezelfde wereld plaatsvindt als waar elke dag olie in de Golf van Mexico spuit, en je murw wordt geslagen met berichten over gesjoemel, geweld en misbruik.

Ook in de biowinkel waar ik wel eens pleeg te komen, zijn ze hard op weg naar een betere toekomst. Gefascineerd bekijk ik de foldertjes in de foldertjesdraaimolen, of hoe noem je zo'n ding ? 'Maak een klankreis naar jezelf', lees ik, en ook : 'Het levende brood in 7 planeetkrachten. Pro-biotisch voedsel slik je levend in en oogst je in de darmen.'

Zo heeft elk zijn manier, de een al potsierlijker dan de andere, om aan de kale wurggreep van de werkelijkheid te ontsnappen. Ik vind dat prima, hoewel gewoon wat mij betreft al GEK genoeg is. Dat laatste blijkt overigens, in de aandachtzuchtige logica van politieke pancarten, niet voor 'zo zot als een tijgergarnaal' te staan maar voor Gedreven Eerlijk Kordaat.

jp.mulders@skynet.be


donderdag 10 juni 2010

ZONDER ZWEMBAD EN ZITMAAIER - JEAN-PAUL MULDERS


Het blijft opmerkelijk, hoeveel vlotter dan mannen vrouwen erin slagen zich aan een plots verbeterende weersgesteldheid aan te passen. De zon breekt amper door de wolken of daar zie je de fijn geschoeide voetjes al, de gladde, voorgebruinde kuiten en de zonnebrillen die elegant in de haren worden gestoken en die, zo leert althans de ervaring, een early warning zijn van gevaar. Vrouwen die zonnebrillen in hun haren prikken zijn, vraag me niet waarom, doorgaans minder katje-om-zonder-handschoenen aan te pakken dan vrouwen die het verschijnsel zonnebril om louter utilitaire redenen aanwenden.

Wij mannen staan doorgaans nog te knipperen tegen het licht, logge en langzame kwaakdieren die de grot waarin ze hun winterslaap doorbrachten nog niet geheel zijn ontgroeid, als daar die verpletterende uitbraak is van wat weleens vrouwelijk schoon wordt genoemd. Elke nieuwe lichting daarvan lijkt trouwens nog verpletterender te worden, al kan zulks aan mijn leeftijd liggen die nu toch wel onstuitbaar en schoksgewijs klimt, als een met helium gevulde ballon die op een mooie zomerdag per ongeluk werd losgelaten door een argeloze kinderhand. Als ik ergens spijt van heb, dan is het dat mijn prille jeugd lag vóór de verstrengeling der volkeren, die tegenwoordig bezig is zulke exotische en spannende vruchten af te werpen. Gisteren nog zag ik een hoogpolige Indische aan de zijde van een stoere Congolees en ik vroeg mij af wat voor prachtkind daaruit zou volgen. Misschien is het dit wel het meest probate middel tegen racisme, het ultieme failliet van Dewinter : dat men geen haat voelt maar wil versmelten. Dat de begeerte het wint van de schrik.

Met dat versmelten moet je wel uitkijken want nu al zijn er, van de Veldstraat tot de Rue Neuve, overal overal mensen, die als ratten uit spelonken en mangaten kruipen en die ook weer niet zullen kunnen nalaten zich voort te planten. Dat is uiteindelijk wat elke soort wil : de planeet zoveel mogelijk vullen met exemplaren van zichzelf. De kat wil dat er zoveel mogelijk katten in de wereld komen, de hond wil hem verhonden, het zwijn wil hem verzwijnen, de pieterman wil hem verpietermannen en de eikelsnuitkever wil hem, tja, vereikelsnuitkeveren zeker. Zo zijn levende wezen nu eenmaal geprogrammeerd en onze soort is daarin momenteel erg bedreven, voor de tijd dat het duurt en als ze niet te lelijk doen in Korea of daarbuiten.

Dit alles bedenk ik terwijl ik mij, veel te warm en te zwart gekleed natuurlijk, per fiets naar de Handyman spoed om er nieuwe zakken te kopen voor een stofzuiger van het type Moulinex Powerclean 1350. In mijn hoofd speelt dat muziekje waarin Arno zingt dat de mensen dansen en spruitjes eten in de straten van Brussel. Minder erg dan de oorwurm Dos Cervezas van Tom Waes, en toch zou ik het uit mijn hoofd willen schudden als water dat na een zwempartij tegen je trommelvlies blijft ronken. Ondanks het feit dat gewaardeerde vrienden van mij hun kind naar Arno hebben genoemd, heb ik het niet zo voor de wannabe marginaal. Dat geposeer alsof je altijd uit de lucht komt gevallen of toch minstens uit je bed getuimeld, nog met een kater worstelt en om een sigaret moet schooien, terwijl je allang een oppassend leven leidt en je schaapjes op het droge hebt.

Maar goed, de zon schijnt dus en zelfs voor alle mensen en in de krant staat een bericht over een exhibitionist die strafvermindering vraagt omdat hij klein is geschapen. "Het was al donker en mijn cliënt zijn instrument is bepaald geen wereldwonder", aldus zijn advocaat. "Veel zal er dus niet te zien geweest zijn."

Ik moet daarmee lachen, en tegelijk is het triest. De wereld is hilaritragisch, zoals ook het verhaaltje van de man die met zijn zitmaaier het lege zwembad in is gedokkerd. Zulks zal mij niet vlug overkomen, bedenk ik trots. Ik bezit zwembad noch zitmaaier. Het bevestigt mijn mening dat stoffelijke spullen voornamelijk kapot kunnen gaan en je kopbrekens bezorgen, zodat je je leven maar beter eenvoudig kunt houden en af en toe naar een preekje van dominee Gremdaat luisteren, die elke zaterdag in Ongehoorde Meningen valt te beluisteren en van wie ik sinds kort een fan ben - zelfs nu ik weet dat hij de stem van Bert in Sesamstraat deed. Ook op het net is hij aan het werk te zien (www.gremdaat.nl). U moet maar eens kijken, mocht u daar zin in hebben en getroffen worden door een ogenblik waarin u een onweerstaanbare trek heeft in Cheese&Onion-chips van Pringles, of gewoonweg schrik voelt voor een onbestemde leegte.

jp.mulders@skynet.be


donderdag 3 juni 2010

DE MAN VAN HONDERD - JEAN-PAUL MULDERS


Op 15 mei 2008, om 11:07 uur, klikte ik op 'verzenden' en bereikte mijn e-mail Jean-Paul Mulders met de vraag of ik wekelijks zijn column mocht publiceren op mijn blog. Het positieve antwoord kwam al om 11:18 uur. Hij voegde er nog aan toe dat hij zich vereerd voelde en zich helemaal kon vinden in mijn motto: 'Wie niet twijfelt leeft niet'. Ik was opgetogen.

Nu zijn we twee jaar en honderd columns verder. Dit jubileum wou ik niet zomaar laten voorbij gaan. Ik ken Jean-Paul nauwelijks en toch voel ik mij erg met hem verwant, een gelijkgestemde. Ik heb mij gebaseerd op de tien hieronder vermelde fragmenten. Of mijn beeldvorming juist is laat ik in het midden.

Die twee gezichten op de foto, wat ligt daar allemaal tussen ? Drie miljard hartslagen, een wereldoorlog met vijftig miljoen doden, maar ook dagelijkser dingen zoals weerpraatjes van Armand Pien, vijfhonderd kommen tomatensoep en een onschatbaar aantal stroken zonlicht op de muur van het terras. De geur van verse regen, die je hart vult met verwachting zonder dat je weet waarom. (uit: TWEE MEISJES – mei 2008)

Op het graf komt een steen, en een bescheiden bosje. Flarden van gewijde teksten komen in mij op, maar ik verdring die meteen want liturgie staat debiel bij de dood van een kat. Om Charon te betalen, leg ik haar laatste dode muis in de kuil. (uit: HEILIGE STOFFIEN – mei 2008)

Gelukkig zijn er vrienden om mee in het park te zitten, zoals gisteren. Er waren gesprekken over Darfour en de mannelijke okselbeharing, er was cava, er was een kind van wie het eerste woordje auto was. Ik betrapte mij erop niet graag te zouden hebben dat het eerste woordje van mijn kind auto was. Er zijn zoveel mooiere woorden, te weten bijvoorbeeld immer en vadsig, hoewel ik niet geloof dat er veel kinderen rondlopen die dat als eerste woordje hadden. (uit: KOPSTAART – augustus 2008)

De ergste crisis in honderd jaar, hoor ik Leterme vertellen. Honderd jaar ! Dat is langer geleden dan het zinken van de Titanic. Dat is langer dan Money money money van Abba bestaat. Dat is langer geleden dan zowat alles waaraan ik geregeld denk. Het vreemde is dat we deze stormen op de financiële markten rustig kunnen aanschouwen, vanuit een comfortabele fauteuil, als een spannende film. Schijnbaar veilig, in de warmte, hoor ik in het nieuws hoe experts zich afvragen of Zwitserland failliet zal gaan. Mocht je die mogelijkheid enkele weken geleden geopperd hebben, vingers hadden op slapen getikt als frenetieke spechten. (uit: IEDEREEN FAILLIET – november 2008)

Dat het met de menselijke soort niet echt iets zal worden, lijkt intussen stilaan duidelijk. We bederven onze intelligentie telkens weer met hebzucht, corruptie en kortzichtig gegrabbel. Zo delven we dapper ons eigen graf. Of zijn er toch twee soorten mensen, de asociale egoisten en de mensen van goede wil ? Je zou het haast denken, want van die laatste kom ik er dagelijks een heleboel tegen. Kunnen zij het tij nog keren ? (uit: HOOP – februari 2009)

Fuck you, fuck you very, very much zong Lily Allen op de radio, met haar allerliefste stemmetje. Door het contrast tussen inhoud en vorm kwam de boodschap extra krachtig over. Iemand zo schattig iets lelijks horen zeggen, daar word ik vrolijk van. Zon brak door de wolken, van die indrukwekkende lichtzuilen die scheef op het landschap staan en die ik voor het eerst heb gezien in Hofstade, in de tijd dat de dieren hun tenen nog kuisten. Ik begon er zachtjes van te fluiten. (uit: HEIDI VAN DE ALPENWEIDE – mei 2009)

"Tot de hoofddoeken was ik nog helemaal mee", zegt L. "Ik lig er niet wakker van of zo'n meisje op school of in het stadhuis een hoofddoekje draagt. Integendeel, ik vind het zelfs mooi, want het benadrukt de schoonheid van haar ogen. Bij de boerkini heb ik echter afgehaakt. Wat zal de volgende stap zijn ? Dat wij, uit 'respect', ook volledig aangekleed van de wipplank moeten springen ? Nu al heb je in Groot-Brittannië zwembaden waar àlle zwemmers zich moeten kleden naar de voorschriften van de islam. Voel jij je, eerlijk, happy als je hoort dat 55 procent van de Antwerpse en 33 procent van de Gentse kleuters thuis geen Nederlands spreken ?" (uit: KLOKKENDEMOCRATIE – september 2009)

Zorgwekkend wordt het als politici de rol van stand-upcomedians overnemen, zoals onlangs die Michel D., mijn god wat een ramp. Jolig genoeg, daar niet van, maar als ik zo'n gezwemvliesde clown het spreekgestoelte zie opwaggelen dan word ik onpasselijk. De senatoren in het halfrond, de schaarse die toevallig voorhanden waren, die keken niet verbijsterd neen, die zaten ook maar wat te gniffelen - beducht als zij waren voor ernst die stemmen kon kosten. (uit: HEEMKUNDIGE EN WANDELAAR – januari 2010)

Het geluk ligt in een oogopslag, in een speelgoedlocomotief die je na dertig jaar weer aan de praat krijgt, in de geur van gesmolten soldeersel, in Janneke en Jip, in schoenen die duurzamer blijken dan je ooit had verwacht, in de flauwe flopmopjes van je dochtertje, in de honger als je uit het zwembad komt, in een zin die je vijf keer leest in een boek, in een ginkgoboompje dat na de winter onverwacht weer blaadjes krijgt, in het smaakverschil tussen een jonge Orval en een die al zes maanden heeft kunnen rijpen, in je vriendin die je in de schemer aan haar elegante tred herkent - en in zo nog een paar duizend onbeduidende dingen. (uit: SMAAKVERSCHIL – maart 2010)

Gefascineerd laat ik de foto's door mijn handen gaan en zie ons in Londen, de puberteit van mij afspattend. Mijn vader in de tuin, in een ligstoel onder de dennen, met een blik die nog iets jongensachtigs heeft, maar tegelijk verraadt dat hij zijn wereld kent. Op enkele foto's staan wij met gesloten ogen want je moest wachten toentertijd tot ze ontwikkeld waren, en hopen dat het goed was. (uit: 100 ASA – mei 2010)

jp.mulders@skynet.be

donderdag 27 mei 2010

OPSTIJGENDE CLOACA'S - JEAN-PAUL MULDERS


Er was zon, er waren zelfgemaakte confituren en een klein flesje champagne, meegesmokkeld door het meisje met de mooie ogen. Er waren berichten in velerlei kleuren en ook een paar van die digitale, met muziekjes uit de flipperkast. Alleen dit ene mankeerde : een kaart in het kordate handschrift van mijn grootmoeder. Het was nu al mijn tweede verjaardag die zij miste, wat minder erg lijkt dan de eerste maar in feite was het wreder, omdat het bewees dat zij niet meer terug zou komen hoe lang ik ook leefde.

Enkele uren slechts nadat ik uit het moederlijf tevoorschijn werd getrokken, in mijn bigbangetje van bloed en lichaamssappen, lag ik vreedzaam te kajakken op de Ourthe. Dat zich tussen beide gebeurtenissen vier decenniën hadden genesteld, en nog wat wisselgeld, was nu even van ondergeschikt belang. De stroming was mild, soms ook onverwacht heftig, dan weer deden verraderlijke stenen onder het wateroppervlak ons bootje bijkans kantelen. De afdaling vertoonde gelijkenissen met het leven zelf en op een glad en rimpelloos stuk rivier dacht ik : dit zou nu toch ook wel eens mogen komen, een lange en rustige etappe, als gelukkig getrouwd eerstaanwezend ambtenaar bijvoorbeeld, in plaats van dat gespartel.

Tegen de rotsen, een meter of vijftig boven mij, hees een bergbeklimmer zich moeizaam naar omhoog. Net op het moment dat ik naar hem keek, verloor hij zijn grip en begon langzaam te vallen en hij riep shit !, meer geërgerd dan bang. Ik vond dat al banale laatste woorden, toen ik zag dat hij gelukkig door zijn veiligheidstouw werd gered. De stopplaats van Kajak Maurice kwam al in zicht toen drie wilde eenden opstegen van het wateroppervlak. Snaterend vlogen zij in de richting van de zon, waarbij een van hen het niet kon laten zijn ingewanden leeg te persen op mijn kajak, mijn zwemvest en mijzelf. De drek op mijn mouw dampte zelfs een beetje. Godver, ketste mijn kreet over het water, en mijn vriendin lachte. "Story of my life", gromde ik. "Drie vogels in een landschap en verder geen levende ziel. Hoe groot is dan statistisch de kans dat je stront op je kop krijgt ?"

"Je weet toch dat het geluk schijnt te brengen ?"

Volgens de volksmond wel, ja, hoewel de voorspoed voor mij niet per se het maagdarmkanaal van een krakeend moet volgen. Het lot mag mij zijn zegeningen gerust wat rechtstreekser overhandigen, in plaats van ze te vermommen als peulvruchten met negen erwten, onbekende honden die mij naar huis vergezellen en spinnen in het avondlicht.

Bij de menhirs en dolmens, die achteloos als kiezels over het landschap waren uitgestrooid, was een gezelschap neergestreken van rare snuiters. Ze knuffelden elkaar en prevelden onhoorbare woorden, om dan in wijder wordende concentrische cirkels om de dertig ton wegende deksteen te lopen, zwaaiend met een knoestige stok, zuchten van bevrijding slakend. Vervolgens begonnen zij met ontbloot bovenlijf te chanten. Wij zaten daarbij en keken ernaar, en aten een homp notenworst. Ik ben niet zo iemand die mysterieuze krachten toedicht aan onze verre voorouders. Vermoedelijk tastten die nog meer in het duister dan wij, en zouden zij wat graag een elektrische koelbox uit de Aldi hebben bezeten en een flatscreen om naar Move like Michael Jackson te kunnen kijken. Wel was ik onder de indruk van de zekerheid dat hier mensen hadden gezwoegd en gesproken, daar in dat donkere verleden toen Mohammed en Jezus en zelfs de Boeddha nog moest komen.

Des avonds, in een nabijgelegen dorp, ging ik op zoek naar misschien wel het minst spirituele voorwerp dat je kunt vinden : een bankautomaat van Fortis, waar ik geld wou afhalen voor een voedzaam avondmaal. Tot mijn verbazing bleken er, naast de diefstal van 3,52 euro maandelijkse equiperingskosten van bankwege, op mijn rekening prettig te noemen bedragen overgeschreven die ik hier en nu niet had verwacht. Ondanks de nuchterheid van onze samenleving, waar politiek & economie & geloof samen gezellig op apengapen liggen, was ik geneigd in die stortingen de hand te zien van Zij Die Mij Alles Gunde. Misschien wou zij mij nog wat drinkgeld geven. Misschien had zij ook wel die eend op mij laten schijten, als knipoogje van aan de overkant, waar zij uiteraard full control heeft over opstijgende cloaca's. Onzin, ik weet het. Toch ben ik geneigd het te willen geloven, omdat het het onaanvaardbare aanvaardbaarder maakt - zoals trouwens ook mijn ginkgoboompje, dat na een lange kale winter opeens weer frisse blaadjes blijkt te krijgen, als om het geloof in de wederopstanding onaangetast te laten.


jp.mulders@skynet.be